Aansprakelijkheid van bestuurders - bestuurdersaanprakelijkheid

Volgens het Burgerlijk Wetboek is een rechtspersoon voor wat het vermogensrecht betreft gelijk aan natuurlijke personen, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit. Een rechtspersoon heeft rechten en verplichtingen en heeft een eigen, afgescheiden vermogen. Deze rechten kan zij afdwingen zoals een natuurlijke persoon dat ook kan, en aan de plichten kan zij worden gehouden. Een rechtspersoon kan echter zelf geen (feitelijke) handelingen verrichten. Daarvoor is altijd de tussenkomst van (uiteindelijk) natuurlijke personen vereist.

De wet en de statuten van de rechtspersoon bepalen wie er primair met de taak van het handelen namens de rechtspersoon is belast, en wie de vennootschap kan vertegenwoordigen. Dat is het bestuur van de rechtspersoon en, voor wat het laatste betreft ook in beginsel iedere bestuurder. Daarnaast kunnen de binnen de rechtspersoon daartoe bevoegde organen (bijvoorbeeld de aandeelhouders of ledenvergadering) anderen aanwijzen die bevoegd zijn om namens de rechtspersoon te handelen en het vermogen van de rechtspersoon te binden.

Worden door anderen dan het bestuur bestuursdaden verricht, dan worden zij voor wat dat betreft met bestuurders gelijkgesteld.
Zij dragen verantwoordelijkheid voor hun daden en zijn onder omstandigheden ook aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor diegene die zich als niet-bestuurder als ware hij bestuurder zich met de gang van zaken binnen de vennootschap bemoeit. Ook deze feitelijke leidinggever kan onder omstandigheden aansprakelijk zijn.
Doorgaans is echter het bestuur van de rechtspersoon verantwoordelijk voor de handelingen voor en namens de rechtspersoon en waarom correct verloop van de interne procedures en besluitvorming die aan een handeling voorafgaan, of behoren te gaan.
De wet bevat een aantal bepalingen die specifieke verplichtingen aan het bestuur opdragen. Ook de statuten kunnen bepalingen bevatten die de bevoegdheden en verplichting van het bestuur uitbreiden of beperken. Daarnaast is ook in de rechtspraak nadere invulling aan de inhoud van de bestuurstaak gegeven.
Zij die rechtshandelingen plegen namens de rechtspersoon verbinden in beginsel dus niet zichzelf maar de rechtspersoon die zij besturen.
Toch kan uit die handelingen een aansprakelijkheid van die bestuurder in persoon voortvloeien.
Er is dan sprake van bestuurdersaansprakelijkheid. De term bestuurdersaansprakelijkheid wordt gebruikt voor twee, op zichzelf verschillende vormen van aansprakelijkheid.

Interne en externe aansprakelijkheid van bestuurders

De eerste is de interne aansprakelijkheid.
Dat is de aansprakelijkheid die voortvloeit uit de relatie die de bestuurder heeft met de rechtspersoon en de verplichtingen die de bestuurder uit dien hoofde jegens de vennootschap heeft. Wanneer de bestuurder met zijn handelen de vennootschap schade berokkent, is hij daarvoor onder omstandigheden aansprakelijk.

De tweede vorm van aansprakelijkheid is de externe aansprakelijkheid. De bestuurder is dan veelal naast de rechtspersoon aansprakelijk jegens derden voor schade die zij lijden als gevolg van het handelen van de bestuurder.

Interne bestuurdersaansprakelijkheid

In artikel 2:9 BW is bepaald dat elke bestuurder tegenover de rechtspersoon is gehouden tot een behoorlijke vulling van hem opgedragen taak. Inmiddels heeft de Hoge Raad bepaald dat de aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 2:9 BW alleen intreedt indien er sprake is van een ernstig verwijtbaar onbehoorlijke taakvervulling.
Hierbij wordt rekening gehouden met bijvoorbeeld de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten en andere in aanmerking te nemen omstandigheden.
Handelingen in strijd met wettelijke, statutaire of andere regels die de rechtspersoon beoogt te beschermen, zullen in zijn algemeenheid onbehoorlijke taakvervulling opleveren.

Hiervan kan - niet uitsluitend - in onder meer de volgende gevallen sprake zijn:

  • het onttrekken van middelen aan de rechtspersoon, bijvoorbeeld door daar over te beschikken als ware het privé vermogen
  • het vermengen van privé zaken met zaken van de rechtspersoon, het aandoen van concurrentie aan de vennootschap en met name het ondergeschikt maken van het vennootschapsbelang aan privé belangen of belangen van anderen
  • het onbevoegd verbinden van de rechtspersoon aan derden
  • het nemen van onnodig grote financiële risico’s, het nemen van beslissingen met verregaande financiële consequenties zonder behoorlijke voorbereiding en het aangaan van transacties die de financiële spankracht van de rechtspersoon aanmerkelijk te buiten gaan, bijvoorbeeld door onverantwoordelijke hoofdelijke aansprakelijkheidsstellingen
  • het niet voorkomen of tegengaan van onderkapitalisatie of van een slechte "debt equity ratio" en het verwaarlozen van de kredietbewaking
  • het niet afsluiten van de gebruikelijke verzekeringen.

Onbehoorlijke taakvervulling door een bestuurder in de zin van artikel 2:9 BW

Zodra sprake is van onbehoorlijke taakvervulling door een bestuurder, zijn in beginsel alle bestuurders hoofdelijk aansprakelijk.
Ook bij een meerhoofdig bestuur blijft gelden dat de aansprakelijkheid van artikel 2:9 BW alleen die bestuurders treft die persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Iedere bestuurder is afzonderlijk verantwoordelijk voor zijn aandeel in het bestuur en dus in het beleid2. De aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de rechtspersoon wegens onbehoorlijk bestuur ontstaat rechtstreeks uit de wet.

Het volgens van een op artikel 2:9 gebaseerde (aansprakelijkheids) procedure vereist geen besluit van de rechtspersoon tot aansprakelijkstelling.
De vordering is ontvankelijk indien ingesteld door iemand die bevoegd is de rechtspersoon in rechte te vertegenwoordigen.
In het Burgerlijk Wetboek is vastgelegd dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden. Dit is een heel breed toepasbaar artikel: er hoeft geen sprake te zijn van enige functionele of contractuele relatie.
Daar staat wel tegenover dat het in het algemeen niet eenvoudig is te bewijzen dat er sprake is van een onrechtmatige daad.

Een benadeelde crediteur (die geen contractspartij is) kan dus toch proberen de actie uit artikel 2:9 BW te combineren met een actie uit onrechtmatige daad (6:162 BW).
Dit kan echter alleen indien de wanprestatie van de betrokken bestuurder was gericht op benadeling van de derde, hetgeen bijvoorbeeld het geval is als de bestuurder een lening afsluit terwijl hij weet dat de rechtspersoon haar verplichtingen niet na kan komen gezien de deplorabele financiële situatie waarin de rechtspersoon zich bevindt.

Een andere manier om de aansprakelijke bestuurder te betrekken is door het leggen van conservatoir of executoriaal derdenbeslag onder die bestuurder.
Zo’n beslag kan al voorafgaan aan de procedure worden gelegd, bijvoorbeeld als de schuldeiser vreest dat de rechtspersoon als gevolg van het onbehoorlijke bestuur onvoldoende verhaal zal bieden.

Na het leggen van zo’n derdenbeslag zal de bestuurder onder meer moeten verklaren of hij al dan niet iets aan de rechtspersoon verschuldigd is of zal worden. Indien de inzet van een vordering tot schadevergoeding is, zal de bestuurder zijn aansprakelijkheid natuurlijk betwisten, en zal hij verklaren niets verschuldigd te zijn. In zo’n geval moet een procedure worden gevoerd over de vraag of de bestuurder iets aan de vennootschap verschuldigd is uit hoofde van zijn onbehoorlijke taakvervulling.

Externe bestuurdersaansprakelijkheid

In het geval van externe aansprakelijkheid is de bestuurder veelal naast de rechtspersoon aansprakelijk jegens derden voor schade die zij lijden als gevolg van het handelen van de bestuurder. Er zijn twee manieren om de handelende bestuurder van een rechtspersoon persoonlijk aan te spreken voor zijn handelen ten opzichte van derden die in contact treden of komen met rechtspersoon te weten:

  • doorbraak
  • oneigenlijke doorbraak.

Van doorbraak is sprake indien de rechtspersoon door de bestuurder wordt misbruikt, louter en alleen om persoonlijke aansprakelijkheid te voorkomen. De schuldeisers worden aldus benadeeld aangezien de rechtspersoon zelf geen verhaal biedt en de door hun geleverde prestatie ten goede komt aan de handelende persoon, c.q. bestuurder.
Artikel 2:11 BW omvat een bepaling die "door de rechtspersoon heenkijkt" en de handelende persoon vereenzelvigt, c.q. gelijkstelt met de rechtspersoon.
Op grond van dat artikel berust de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.

Rechtvaardiging hiervoor dient te worden gezocht in de "redelijkheid en billijkheid". Het zou rechtens onaanvaardbaar zijn het identiteitsverschil in zulke gevallen te handhaven.

Van oneigenlijke doorbraak is sprake wanneer de handelende persoon/bestuurder wordt geacht verantwoordelijk te zijn voor het niet nakomen door de rechtspersoon van diens verplichtingen. Dit wordt de handelende bestuurder aangerekend als een onrechtmatige daad. De handelende persoon wordt hierbij dus niet gekwalificeerd als contractspartij.

Aan persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders van de rechtspersoon op grond van artikel 6:162 BW worden echter zeer zware eisen gesteld.
De aansprakelijk gestelde bestuurder moet zelf namelijk ook een ernstig verwijt van het onrechtmatig handelen van de rechtspersoon kunnen worden gemaakt. De bestuurder(s) moet(en) ook zelf hebben gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die zij naar verkeersnormen persoonlijk jegens de benadeelde in acht hadden moeten nemen. De feiten en omstandigheden van het geval zijn steeds doorslaggevend. Er zal bijvoorbeeld moeten worden aangetoond dat de bestuurder handelde in strijd met de zorgvuldigheid die hij persoonlijk jegens een derde in acht behoort te nemen.

In sommige gevallen geeft de wet een vermoeden van aansprakelijkheid. In geval van faillissement is bijvoorbeeld in artikel 2:248 lid 1 BW bepaald dat iedere bestuurder jegens de boedel aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement.
De wet vermoedt dat sprake is van onbehoorlijke taakvervulling als er geen boekhouding is bijgehouden (artikel 2:10 BW) of als de jaarrekening niet tijdig is gepubliceerd (artikel 2:394 BW).
In dit geval wordt de bewijslast omgedraaid: de bestuurder is aansprakelijk, behoudens tegenbewijs.

Functionarissen van de rechtspersonen kunnen dus op grond van hun eigen onrechtmatige daad aansprakelijk zijn voor door de rechtspersonen onbetaald gelaten schulden uit rechtshandelingen. Hieronder vallen bijvoorbeeld het al te lichtvaardig ten name van de rechtspersoon schulden aangaan, het ten onrechte kredietwaardigheid van de rechtspersoon voorwenden of betaling van schuldeisers belemmeren, verhinderen of welbewust zonder geldig reden weigeren. Jurisprudentie wijst uit dat deze persoonlijke aansprakelijkheid alleen intreedt indien de bestuurder bij het aangaan van de schuld al weet of redelijkerwijs behoort te begrijpen dat de rechtspersoon niet of niet binnen een redelijke termijn aan zijn verplichtingen zal kunnen voldoen en geen verhaal zal bieden voor de voorzienbare schade die de schuldeiser ten gevolge van die wanprestatie zal leiden.
Voorts kan uit het arrest Alberda Jelgersma worden afgeleid dat ook een moedervennootschap onder omstandigheden onrechtmatig jegens de schuldeisers van haar dochtervennootschap handelt, als zij onder meer toelaat dat de dochtervennootschap nieuwe schulden aangaat terwijl zij weet of behoort te begrijpen dat deze nieuwe schuldeisers geen of onvoldoende verhaal zullen vinden. Vaak heeft de moeder de dochter ook (met zekerheden) gefinancierd.

Bewijs van het feit dat de bestuurder ten tijde van het aangaan van de overeenkomst al wist of redelijkerwijze moest weten dat de rechtspersoon niets zou kunnen nakomen, is niet eenvoudig, doch kan bijvoorbeeld worden geleverd indien er sprake is geweest van het wekken van een schijn van kredietwaardigheid.
In het arrest Romme-Bakker is de bewijslast van de gedupeerde aanmerkelijk verlicht.

Er kunnen zich volgens de Hoge Raad gevallen voordoen waarin uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de bewijslast ten laste van zo’n zeggenschapsverhouding wordt omgekeerd.
Er was door eiser voldoende gemotiveerd gesteld en door gedaagde niet of niet gemotiveerd betwist dat ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst de vennootschap zelf niet (in voldoende mate) over financiële middelen beschikte om haar verplichtingen uit die overeenkomst te voldoen maar daarvoor afhankelijk was van haar daartoe door een andere, door haar zelf (en dus indirect door de aangesproken bestuurder) beheerste vennootschap ter beschikking te stellen middelen.

Vereenzelviging

Vooral in aansprakelijkheidskwesties wordt regelmatig een beroep gedaan op vereenzelviging.
Dit houdt in een uitbreiding van de voor verhaal van vorderingen vereiste identiteit of eenheid van schuldenaar en uit te winnen goed. Veelal is de rechter alleen in uitzonderingsgevallen bereid direct verhaal onder een derde toe te staan. Bestanddelen van het vermogen van een derde kunnen worden uitgewonnen als het feitelijk gaat om goederen van de schuldenaar zelf. Het gaat hierbij om gevallen waarin het onderbrengen van vermogensbestanddelen van de schuldenaar in een met name te hebben verbonden rechtspersoon iedere reële betekenis mist.

Voorts kan worden aangenomen dat de handelende (natuurlijke) persoon contractspartij wordt. Alleen als het gebruik van de rechtspersoon leidt tot misbruik van de rechtspersoonconstructie en tot maatschappelijk onaanvaardbare gevolgen, zal de van de redelijkheid en billijkheid het negeren van rechtspersoon in kwestie rechtvaardigen.
Bestuurders die bewust de verhaalspositie van de schuldeisers van de rechtspersoon hebben benadeeld kunnen ook door persoonlijke aansprakelijkheid worden getroffen. De Hoge Raad besliste in zijn arrest De Leeuw-Wijnen dat het er niet alleen op toezien dat de rechtspersoon tijdig zijn financiële verplichtingen tegenover de schuldeneiser nakomt over het algemeen nog niet leidt tot persoonlijke aansprakelijkheid van de betrokken bestuurder.
Er zal sprake moeten zijn van bijkomende omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat betalingsonmacht, of het te laat laten blijken daarvan, aan de bestuurder zelf te wijten is. Zo kan de betalingsonmacht bijvoorbeeld te lang verborgen zijn gehouden.

In ieder geval onrechtmatig is de uit betalingsonwil voortvloeiende weigering van een bestuurder om een verbintenis van een rechtspersoon te voldoen.
Indien er aanwijzingen zijn voor betalingsonwil, ligt het (volgens de Hoge Raad) voor de hand om van degene die volledige zeggenschap heeft over de nalatige vennootschap, te verlangen dat aannemelijk maakt dat de vennootschap niet in staat is te betalen. Voorts dient de aangesproken bestuurder aannemelijk te maken dat het uitblijven van betaling niet voortvloeit uit betalingsonwil maar uit betalingsonmacht.
Deze kan zich niet beroepen op betalingsonmacht van de BV indien hij nalaat gebruik te maken van kredietfaciliteiten die de BV ter beschikking staan. Een dergelijke nalaten is onrechtmatig jegens de crediteur.


Verdere informatie door een advocaat over vennootschapsrecht

Voor verdere informatie over vennootschapsrecht kunt u vrijblijvend contact opnemen met:
 

LAW - associated firm

Blenheim is lid van Lawyers Associated Worldwide.

lees meer

Contactformulier

Movie

Contactformulier