horeacavergunning en slecht levensgedrag

Bij aanvraag van een horecavergunning (DHW-vergunning) wordt de leidinggevende of exploitant in de horeca gecontroleerd op zijn 'levensgedrag", zo bepaalt de Horecawet. De burgemeester kan een horecavergunning ook intrekken en de horecazaak sluiten bij de vaststelling dat de horeca-exploitant van ‘slecht levensgedrag’ zou zijn. Het ‘levensgedrag’ van de exploitant kan overigens ook in het kader van Bibob toetsing aan de orde komen. Steeds vaker wordt de horeca-advocaat geraadpleegd om te adviseren over de procedure rond de horecavergunning.

De eisen, genoemd in artikel 8 Drank- en Horecawet, zien expliciet op de persoon van de leidinggevende(n), en niet op kenmerken van de lokaliteit waar de vergunning zal worden uitgeoefend. De eisen zijn een uitdrukking van de bijzondere verantwoordelijkheid die toekomt aan leidinggevenden in het horeca- of slijtersbedrijf, welke bijzondere verantwoordelijkheid zijn grondslag vindt in het verhandelen van stoffen met een gevaarlijke werking. Art. 8 lid 1 van de Drank- en Horecawet bepaalt dat leidinggevenden van het horecabedrijf niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mogen zijn. Deze vage term is ruim en weinig concreet en dat leidt regelmatig tot rechtszaken.

Dienstenrichtlijn en intrekking horecavergunning

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat voor een dienstverrichter duidelijk moet zijn onder welke omstandigheden aan een bepaalde vergunningsvoorwaarde is voldaan om op deze wijze een grens te stellen aan de wijze van uitoefening van de vergunningsinstantie.

Weliswaar worden in de toelichting bij de Horecaverordening enkele voorbeelden genoemd van gedragingen die in ieder geval in de beoordeling van het levensgedrag worden meegenomen, maar hiermee is nog onvoldoende concreet en objectief bepaald onder welke omstandigheden de voorwaarde in concreto is vervuld. In de Nederlandse rechtspraak is weliswaar verduidelijkt dat het bestuursorgaan de vrijheid heeft om een breed scala aan feiten en omstandigheden bij de beoordeling te betrekken, maar blijft voor een dienstverrichter onduidelijk hoe die feiten en omstandigheden vervolgens worden gekwalificeerd. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in Utrecht over intrekking horecavergunning is het voor een dienstverrichter daardoor niet goed mogelijk zich vooraf op de hoogte te stellen van de wijze waarop de vergunningsvoorwaarde ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn’ wordt ingevuld. De rechter schorst de intrekking totdat in de bezwaarprocedure is beslist.

Horecavergunning en toetsing ‘levensgedrag’ o.g.v. Wet Bibob

Op grond van artikel 3 van de Wet Bibob kan bij aanvraag van een horecavergunning aan de Wet Bibob getoetst worden, of bij een controle, of een horecavergunning nog correct wordt gebruikt. Artikel 3 van de Wet Bibob betreft kort samengevat de volgende toets:

1) Een bestuursorgaan kan op basis van de Wet Bibob een vergunning of weigeren of intrekken wanneer er sprake is van ernstig gevaar dat de beschikking mede gebruikt zal worden voor:

a) het benutten van voordelen uit strafbare feiten

b) het plegen van strafbare feiten.

2) Voor de beoordeling of er “ernstig gevaar” is dat een beschikking (verlening horecavergunning) “verkeerd” gebruikt gaat worden, wordt gekeken naar feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd (bijvoorbeeld valsheid in geschrifte of omkoping).

Het eigen onderzoek van de gemeente bestaat uit de aanvraagformulieren die de aanvrager van de horecavergunning moet invullen en het opvragen van documentatie. Daarbij zal doorgaans het Bibob-vragenformulier bij het aanvraag formulier van een horecavergunning worden toegevoegd. Helaas komt het regelmatig voor dat de gemeente de Bibob-toets gebruikt om van een horecazaak af te komen; raadpleeg tijdig onze Bibob-advocaat daarover.

Rechtspraak over horecavergunning en slecht levensgedrag

Bij vaststelling van (strafbare) feiten of illegale activiteiten (bijvoorbeeld gokken) kan de burgemeester de horecavergunning intrekken wegen slecht levensgedrag. De horecagelegenheid moet dan sluiten. Die feiten hoeven niet de horecazaak zelf te betreffen, maar kunnen de eigenaar of leidinggevende van de horecazaak. Er is veel rechtspraak over intrekking horecavergunningen. Een kort bloemlezing uit de kleurrijke rechtspraak over ‘slecht levensgedrag’:

  • Leidinggevende niet aanwezig; de aanwezigheid van een leidinggevende is essentieel voor de wijze van exploitatie van een horecabedrijf (Rechtbank Midden-Nederland, 23 april 2014, UTR 13-6773 (r.o. 13)).
  • Voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de Gemeente niet in strijd heeft gehandeld met het stappenplan voor handhaving omschreven in haar Nalevingsbeleid horeca. Zoals blijkt uit artikel 3.6.7. Drank- en Horeca Nalevingsbeleid Gemeente Ede, kan een vergunning direct worden ingetrokken indien er sprake is van illegale kansspelen en slecht levensgedrag van de horeca-exploitant. Dit wordt tevens bevestigd in de volgende zaken: Rechtbank Rotterdam, 29-10-2013, 13/6090 en in Rechtbank Midden-Nederland, 23 april 2014, UTR 13-6773 (r.o. 14).
  • Indien geen nadere omschrijving is gegeven van de eis dat leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn, dan gelden er in beginsel geen beperkingen ten aanzien van feiten of omstandigheden die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. Niet vereist is dat aan de beoordeling van verweerder een onherroepelijke veroordeling ten grondslag ligt (ABRvS 23 september 2009 ECLI:NL:RVS:2009:BJ8312); dit ligt inmiddels genuanceerder gelet op de voornoemde uitspraak van de voorzieningenrechter in Utrecht met verwijzing naar de Dienstenrichtlijn.
  • Nu de veroordelingen inzake valsheid in geschrifte in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het besluit van 23 februari 2016 hebben plaatsgevonden, heeft de burgemeester de intrekking van de horecavergunning op die veroordelingen kunnen baseren (Raad van State, 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3474).

Cannabis en illegaal gokken moeilijk met horecavergunning te combineren

Sommige activiteiten van aan horeca-exploitant gaan echt niet samen met (het hebben van) een horecavergunning:

  • Indien illegale gokactiviteiten in het pand plaatsvinden, dan kan dit op zichzelf een schending van de openbare orde opleveren. Een mogelijkheid die aangegrepen kan worden is dat de illegale activiteiten in het pand gevolgen kunnen hebben buiten het pand. Onder omstandigheden kan, gelet op de cumulatie van illegale activiteiten, aangenomen worden dat diverse personen in een onaanvaardbare afhankelijkheidsrelatie zijn komen te verkeren (gokschulden), dat het pand een aantrekkende werking had op ongewenste individuen en dat dit een negatief uitstralend effect heeft op de openbare orde (Rechtbank Oost-Brabant, 3 februari 2014, AWB-12_2762).
  • Vennoot in horeca v.o.f. van “slecht levensgedrag” i.v.m. betrokkenheid bij hennepkweek; overblijvende vennoot gaat door als eenmanszaak maar kan intrekking jegens v.o.f. niet ongedaan maken; rechter overweegt dat positie van de “schone” doorstartende vennoot een rol kan spelen bij de beoordeling van de nieuwe aanvraag die verzoeker als eenmanszaak heeft gedaan (Rechtbank Midden-Nederland, 21 april 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:2048).
  • Burgemeester wijzigt de exploitatievergunning door leidinggevende als beheerder van de beheerdersbijlage bij de DHW-vergunning te verwijderen. Niet betwist is dat de leidinggevende thuis een hennepkwekerij en een hennepdrogerij exploiteerde en dat zij de daaruit verkregen hennep wilde verkopen aan een coffeeshop. Bevoegdheid om de DHW-vergunning te wijzigen is volgens de rechter toegestaan (Rechtbank Rotterdam, 8 juni 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:4465.

Advies horeca-advocaat over horecavergunning

Weigering of intrekking van een horecavergunning heeft verstrekkende gevolgen voor een horecaondernemer. Net als een onterecht Bibob advies dat tot weigering van de horecavergunning leidt. De intrekking van een horecavergunning is doorgaans een spoedeisende kwestie waarin een voorlopige voorziening gevorderd kan worden bij de bestuursrechter; uw advocaat vordert dan schorsing van het intrekkingsbesluit. Het hangt van de feiten en omstandigheden af die spelen bij weigering of intrekking van de horecavergunning, in hoeverre met succes bezwaar en beroep aangetekend kan worden tegen het besluit. Het horeca team van Blenheim heeft veel ervaring met horecavergunningen en adviseert u gaarne hierover. Een horeca-advocaat kan adviseren over de aanvraagprocedure, de Bibob-toets bij horeca, handhavingsacties van de gemeente en ook over de kansen in een bezwaar- en beroepsprocedure tegen weigering of intrekking van een horecavergunning.