5 maart 2012

Stortingsplicht bij oprichting van een B.V. (besloten vennootschap).

Categorie: Ondernemingsrecht

Uitspraak over stortingsplicht aandelen

Rigging Only B.V. (“Riggy Only”) is opgericht door Paraguas B.V. ( “Paraguas”) op 2 februari 2006. De onderhavige procedure gaat over de vraag of Paraguas destijds de door haar genomen aandelen in het kapitaal van Rigging Only heeft volgestort.

Uitgangspunt bij de beoordeling is dat Paraguas door medeondertekening van de bankverklaring een deel van het toenmalige saldo van de bankrekening die op naam stond van Rigging Only BV i.o. heeft aangewend/bestemd om te voldoen aan haar verplichting tot betaling van EUR 18.001 ter volstorting van de aandelen. In de oprichtingsakte is het aldus aangewende/bestemde bedrag namens Rigging Only aanvaard als storting op de aandelen. Daarmee zijn de aandelen volgestort, tenzij de overeenkomst met EML Belgium Productions N.V. (die op 17 januari 2006 een op naam van Rigging Only BV i.o. verzonden factuur d.d. 3 januari 2006 ad EUR 36.731,25 heeft voldaan) is gesloten namens Rigging Only BV i.o. en deze door Rigging Only is bekrachtigd.

De curator stelt dat sprake is van een stilzwijgende bekrachtiging. Haar betoog slaagt niet. Bekrachtiging in de zin van artikel 2:203 lid 1 BW dient plaats te vinden na de oprichting van de B.V., dus in dit geval na 2 februari 2006. De curator heeft geen feiten en omstandigheden gesteld, waaruit kan worden afgeleid dat Rigging Only na 2 februari 2006 enige overeenkomst heeft bekrachtigd. Dat Rigging Only het ontvangen bedrag niet heeft terugbetaald, vormt geen stilzwijgende bekrachtiging.

De opbrengst van (de overeenkomst die ten grondslag ligt aan) de factuur aan EML vormde dus niet krachtens bekrachtiging onderdeel van het (toekomstige) vermogen van Rigging Only.

De Hoge Raad heeft in het BAS-C arrest geoordeeld dat aandelen niet rechtsgeldig zijn volgestort indien het gestorte bedrag is onttrokken aan het (toekomstig) vermogen van de B.V. In dat geval was het op de aandelen te storten bedrag ontvangen op een rekening van de BV i.o. in verband met verrichte werkzaamheden. De overeenkomst die ten grondslag ligt aan de betaling is na oprichting van de B.V. door haar bekrachtigd. Het bedrag is dus wel ten goede gekomen aan de B.V., maar door de bekrachtiging van de overeenkomst is het bedrag, volgens de Hoge Raad, door de B.V. niet als storting op aandelen ontvangen maar als tegenprestatie voor (door de B.V.) verrichte werkzaamheden. Hierdoor is het bedrag niet door de oprichter aan de B.V. ter beschikking gesteld en kan het niet gelden als storting op de aandelen.

De rechtbank oordeelt in dit geval dat de gelden die op de aandelen zijn gestort weliswaar afkomstig zijn van de betaling van een factuur, maar dat niet aannemelijk is gemaakt dat de B.V. na oprichting de overeenkomst heeft bekrachtigd die ten grondslag ligt aan de factuur. De gestorte gelden zijn daarom niet onttrokken aan het (toekomstig) vermogen van de B.V.; de storting is rechtsgeldig.

De rechtbank neemt – naar mijn mening terecht – niet aan dat de B.V. stilzwijgend heeft bekrachtigd. Immers in de akte van oprichting heeft de B.V. de gelden als storting op de aandelen aanvaard. Hiermee verhoudt zich niet dat de B.V. de gelden ook stilzwijgend zou aanvaarden als betaling op een door haar stilzwijgend bekrachtigde overeenkomst.

Om onduidelijkheid over al dan niet stilzwijgende bekrachtiging zoveel mogelijk te voorkomen blijft het wenselijk vast te leggen welke rechtshandelingen uit de voorperiode door de B.V. worden bekrachtigd. Vastgelegd dient te worden dat geen bekrachtiging plaatsvindt van rechtshandelingen, waardoor of ten gevolge waarvan gelden of goederen zijn verkregen die zijn aangewend voor de storting op de bij oprichting van de B.V. uitgegeven aandelen.

Blenheim advocaten geeft u ter zake uw positie als oprichter van een B.V., N.V. en/of een personenvennootschap graag advies.