12 augustus 2016

Aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders bij de stichting

Categorie: Bestuursrecht

Aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders bij de stichting

Bestuurders en toezichthouders van een stichting kunnen aansprakelijk zijn als zij hun taken niet naar behoren vervullen.

Tegenover de stichting zijn bestuurders en toezichthouders gehouden om hun taak behoorlijk te vervullen. Als de normering van behoorlijk bestuur en toezicht geconcludeerd wordt dat er sprake is van een onbehoorlijke taakvervulling dan kan een bestuurders of toezichthouder onder omstandigheden aansprakelijk zijn.

Interne aansprakelijkheid bestuurders

Een bestuurder kan op grond van art. 2:9 lid 2 BW aansprakelijk zijn voor een onbehoorlijke taakvervulling. Deze bepaling is een uniforme regeling voor alle rechtspersonen en betreft de interne verhouding tussen de rechtspersoon en de bestuurder. Tot de taak van een bestuurder behoren alle taken die niet krachtens de wet of de statuten aan een of meerdere andere bestuurders zijn toegedeeld.

Om tot aansprakelijkheid van een bestuurder te komen volgt uit het Staleman/Van der Ven-arrest dat de bestuurder een ernstig verwijt gemaakt moet kunnen worden. Om te bepalen of er sprake is van een ernstig verwijt dienen alle omstandigheden van het geval in ogenschouw te worden genomen. Voor het aannemen van een verwijt is hierbij voldoende dat een bestuurder behoorde te beseffen dat hij ernstig tekort is geschoten. Een ernstig verwijt kan in ieder geval worden gemaakt als een bestuurder een wettelijke of statutaire bepaling heeft overtreden.

Interne aansprakelijkheid van leden van het toezichthoudend orgaan

Boek 2 BW voorziet voor de stichting nog niet in een wettelijke regeling voor de aansprakelijkheid van toezichthouders bij de stichting. Enkel als het een commerciële stichting betreft en er sprake is van faillissement kan een toezichthouder op grond van art. 2:9 BW – naar huidig recht – aansprakelijk worden gesteld. Buiten faillissement kan een toezichthouder bij de commerciële stichting niet aansprakelijk worden gesteld en als het een niet-commerciële stichting betreft kan een toezichthouder geheel niet aansprakelijk worden gesteld op grond van art. 2:9 BW, om het eenvoudige feit dat deze bepaling niet van toepassing is op het toezichthoudend orgaan.

Bij de Servatius zaak heeft de Rechtbank zich uitgesproken over de vraag of naast het bestuur, ook de leden van het toezichthoudend orgaan aansprakelijk kunnen worden gehouden op grond van een onbehoorlijke taakvervulling. Aangezien art. 2:9 BW niet van toepassing is op het toezichthoudend orgaan van de stichting, heeft de woningstichting zijn vordering moeten baseren op art. 6:162 BW. Aangezien het in deze zaak de interne aansprakelijkheid van de leden van de toezichthoudend orgaan betrof, zal voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW de toezichthouder een ernstig verwijt moeten kunnen worden gemaakt zoals dat is vereist voor aansprakelijkstelling op grond van art. 2:9 BW

Aansprakelijkheid bestuurders bij faillissement

Bestuurders en leden van het toezichthoudend orgaan kunnen bij faillissement aansprakelijk zijn op grond van art. 2:138 BW. Onder huidig recht is deze aansprakelijkheid nog alleen van toepassing op bestuurders en toezichthouders van een commerciële stichting.

De vraag is of er sprake is van een commerciële stichting. Hierbij gaat het om de vraag of de stichting Vpb-plichtig is. Is de Stichting VpB-plichtig?

Uit art. 2:138 BW volgt dat indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement, iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het in het faillissement blijkend tekort. In beginsel rust de bewijslast op de curator maar als het bestuur niet of niet behoorlijk aan de uit art. 2:10 BW voortvloeiende verplichting tot boekhouden heeft voldaan of indien de stichting in strijd heeft gehandeld met de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening op grond van art. 2:394 BW, dan wordt op voorhand aangenomen dat het bestuur zijn taak niet behoorlijk heeft vervuld.

Aansprakelijkheid Leden van het toezichthoudend orgaan bij faillissement

Bij het faillissement van een commerciële stichting wordt zoals gezegd art. 2:9 BW eveneens van overeenkomstige toepassing verklaard op de leden van het toezichthoudend orgaan van de stichting via art. 2:300a BW jo. 2:149 BW. Zij zullen ter voorkoming van aansprakelijk hun taak evenals het bestuur ‘behoorlijk’ dienen te vervullen. Voor toezichthouders geldt natuurlijk wel dat hun taak wezenlijk verschilt van de bestuurstaak. De leden van het toezichthoudend orgaan zijn namelijk minder betrokken bij de algemene gang van zaken en minder op de hoogte van de ontwikkelingen binnen de stichting. Als er sprake is van een faillissement bij een commerciële stichting zullen de bestuurders daarom ook sneller aansprakelijk zijn dan de toezichthouders bij de stichting maar de toezichthouders zullen ter voorkoming van aansprakelijk hun taak wel naar behoren dienen te hebben vervuld en geen ernstig verwijt kunnen te worden gemaakt.

Aansprakelijkheid bestuurders op grond van onrechtmatige daad

Naast de aansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW, kunnen bestuurders aansprakelijk zijn op grond van onrechtmatige daad. Voor het aannemen van een onrechtmatige daad op grond van art. 6:162 BW is, net als bij aansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW, vereist dat de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het Hof Leeuwarden heeft in het arrest Stichting Opera Groningen geoordeeld dat het een voldoende ernstig verwijt oplevert voor persoonlijke aansprakelijkheid indien welbewust is bewerkstelligd dat een schuldeiser van de rechtspersoon onbetaald is gebleven terwijl alle andere schuldeisers nagenoeg geheel zijn voldaan.

De aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW zal voornamelijk worden ingeroepen door derden als bijvoorbeeld hun vordering onbetaald is gebleven. Uit het Beklamel arrest volgt dat een bestuurder aansprakelijk kan worden gesteld als de bestuurder ten tijde van het aangaan of ten tijde van de bekrachtiging van een rechtshandeling wist of behoorde te weten dat de rechtspersoon niet tot nakoming van zijn verplichtingen in staat zou zijn en ook niet voldoende verhaal zou kunnen bieden voor de schade die de wederpartij dientengevolge zal lijden.

Aansprakelijkheid van toezichthouders op grond van art. 6:162 BW

Evenals de bestuurders kunnen toezichthouders aansprakelijk worden gesteld op grond van onrechtmatige daad, indien zij een persoonlijk ernstig verwijt kunnen worden gemaakt. De toezichthouders zullen echter minder snel op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk worden gesteld dan de bestuurders aangezien deze aansprakelijkheid voornamelijk door derden ingeroepen zal worden en toezichthouders minder in aanraking komen met derden. Een toezichthouder kan onder andere aansprakelijk worden gesteld indien de toezichthouder bekend is met het onrechtmatig handelen van een bestuurder jegens een derde en de schadelijke gevolgen daarvan, en nalaat om in te grijpen.

Nieuwe wetgeving

Naar verwachting zal in 2016 de nieuwe Wet bestuur en toezicht rechtspersonen in boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden opgenomen. Het wetsvoorstel hiertoe uniformeert voor alle rechtspersonen de regels voor taakvervulling door bestuurders en toezichthouders en de regels voor aansprakelijkheid in geval van onbehoorlijke taakvervulling. Als gevolg daarvan zal (onder meer) het aansprakelijkheidsregime voor bestuurders en toezichthouders bij verenigingen en stichtingen worden verscherpt. Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste wijzigingen.

  • Er komt een wettelijke grondslag voor de instelling van een toezichthoudend orgaan bij verenigingen en stichtingen (Raad van Toezicht). Op dit moment bevat het BW nog geen wettelijke grondslag voor de instelling van een toezichthoudend orgaan bij verenigingen of stichtingen;

  • De aansprakelijkheid van functionarissen van niet-commerciële verenigingen en stichtingen wordt verruimd. Het gaat hierbij om bestuurders en toezichthouders die hun taak onbehoorlijk vervullen. In geval van faillissement kunnen zij dan (hoofdelijk) aansprakelijk zijn voor de daaruit voortvloeiende schade. Nu is het zo dat deze aansprakelijkheid alléén aan de orde is in geval van commerciële verenigingen of stichtingen. Het onderscheid tussen commercieel en niet-commercieel verdwijnt met dit wetsvoorstel;

  • Er komt een wettelijke regeling waarin is bepaald dat bestuurders en toezichthouders van verenigingen en stichtingen zich bij de vervulling van hun taak moeten richten naar het belang van de rechtspersoon en de met die rechtspersoon verbonden organisatie. In tegenstelling tot de NV’s en BV’s bestaat er op dit moment nog geen uitdrukkelijk norm waarnaar bestuurders en toezichthouders zich bij de vervulling van hun taak moeten richten;

  • Ten slotte worden de ontslagmogelijkheden van stichtingsbestuurders verruimd. Dit houdt in dat een stichtingsbestuurder die het belang van de stichting dermate schaadt dat het voortduren van zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden gevergd, op verzoek van een belanghebbende of het Openbaar Ministerie kan worden ontslagen. Deze regeling gaat ook gelden voor toezichthouders.

    Heeft u een vraag naar aanleiding van bovenstaand artikel? Neem dan contact op met mr. M.L. van Kleef, advocaat bij advocatenkantoor Blenheim 020 521 01 00.