22 mei 2015

Aansprakelijkheid vennoot van VOF en CV

Categorie: Bestuursrecht

Aansprakelijkheid vennoot VOF en CV

De Hoge Raad heeft op 13 maart 2015 een baanbrekend arrest gewezen ter zake de aansprakelijkheid van een vennoot. Dit is een mijlpaal-arrest in de ontwikkeling van het personenvennootschapsrecht. Lees ook: hoofdelijke aansprakelijkheid hypotheekschuld.

De Hoge Raad oordeelt dat wie als beherend vennoot toetreedt tot een CV daarmee hoofdelijk aansprakelijk wordt voor alle schulden van de vennootschap die ten tijde van zijn toetreding bestaan of nadien ontstaan. Hetzelfde geldt voor degene die als vennoot toetreedt tot een VOF. De beherend vennoten van een CV zijn hoofdelijk voor de schulden van de vennootschap verbonden, zoals de vennoten van een VOF. Die laatste wetsbepaling is volgens de Hoge Raad op grond van art. 19 lid 2 WvK van overeenkomstige toepassing op de beherend vennoot van een CV. In art. 18 WvK staat geen beperking te lezen tot na toetreding ontstane schulden.
De Hoge Raad volgt met deze uitspraak de conclusie vande advocaat-generaal van de Hoge Raad. Een kwestie waarover zowel in de lagere rechtspraak als in de literatuur uiteenlopende standpunten zijn ingenomen, is hiermee eindelijk beslist. De door de Hoge Raad gegeven regel wijkt af van de oplossing van het in 2011 ingetrokken ontwerp voor titel 7.13 BW. Volgens art. 824 lid 2 van dat ontwerp was degene die tot een “openbare vennootschap” toetrad slechts verbonden voor verbintenissen van de vennootschap na zijn toetreding ontstaan.
Over de aansprakelijkheidspositie van een uitgetreden vennoot heeft de Hoge Raad zich niet uitgelaten, anders dan dat wie (beherend) vennoot is op het moment waarop de vennootschap wordt “opgeheven” aansprakelijk blijft voor de schulden, waarvoor hij op dat moment aansprakelijk was. Daarmee is nog niet de vraag beantwoord of een uitgetreden vennoot aansprakelijk wordt voor een schuld die pas na zijn uittreden voortvloeit uit een rechtsverhouding die voordien is ontstaan.
Zou het een logische stap zijn om na A ook B te zeggen? Stel, in naam van een VOF wordt bedrijfsruimte gehuurd. De twee nieuwe vennoten die later toetreden worden persoonlijk aansprakelijk voor oude en nieuwe huurtermijnen en voor retournering van de waarborgsom wanneer de huur wordt beëindigd. Enige tijd later treden de oorspronkelijke vennoten uit. Wie zijn nu de huurders? Wie heeft jegens de verhuurder recht op huurgenot en op uitoefening van alle andere rechten onder de huurovereenkomst? Nog steeds de voormalige vennoten, of de nieuwe vennoten? Heeft de verhuurder er met de nieuwe vennoten twee schuldenaren bij, maar mag hij de voormalige vennoten blijven beschouwen als zijn contractuele wederpartijen? Of mogen de nieuwe vennoten er aanspraak op maken dat nu het huurcontract op naam van de VOF staat en zij de vennoten zijn, zij en niet de voormalig vennoten thans als de huurders hebben te gelden? De Hoge Raad is aan deze vervolgvraag niet toegekomen.
De Hoge Raad benadrukt in zijn arrest de verschillen tussen maatschap enerzijds en VOF en CV anderzijds. De vennoten van een maatschap binden in beginsel slechts zichzelf. De regels die de Hoge Raad in HR 15 maart 2013 (Biek Holdings) heeft geformuleerd met betrekking tot de aansprakelijkheid van oude en nieuwe vennoten bij een maatschap zijn niet bepalend voor VOF en CV.

Indien u vragen heeft over aansprakelijkheid van een vennoot, neemt u dan geheel vrijblijvend contact met advocaat vennootschapsrecht mr. Jeroen Latour.