21 maart 2012

Recht van overpad, recht van weg. Advocaat over erfdienstbaarheid, wijzigen en opheffen

Categorie: Bestuursrecht

Opheffing erfdienstbaarheid, recht van weg of overpad

Erfdienstbaarheid ontstaat hetzij door vestiging, hetzij door verjaring. De rechter kan op verzoek van de advocaat van een betrokkene een erfdienstbaarheid wijzigen of opheffen. Dit is onder meer mogelijk indien zich onvoorziene omstandigheden voordoen die van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid niet van de eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd. Erfdienstbaarheden gaan teniet door afstand, vermenging en verjaring.

Vervallen overpad of recht van weg?

Non usus is een regel uit het BW dat vóór 1 januari 1992 van kracht was, op grond waarvan onder bepaalde omstandigheden een erfdienstbaarheid teniet ging, indien er dertig jaar, volgend op de dag waarop een met de erfdienstbaarheid strijdige daad werd verricht, geen gebruik van werd gemaakt. Met ingang van 1 januari 1992 geldt het huidige BW en is deze mogelijkheid van verjaring komen te vervallen. Artikel 94 Overgangswet verlengt de werking van het oude rechter echter nog met één jaar. Indien een rechthebbende op 1 januari 1992 geen gebruik maakte van de erfdienstbaarheid en de verjaringstermijn nog liep, geldt op grond van het overgangsrecht tot 1 januari 1993 nog de oude regel van non usus en wordt vanaf dat moment artikel 3:106 BW van toepassing. Erfdienstbaarheiden aangevangen voor 1 januari 1992 die na 1 januari 2012 nog bestaan leveren een apart geval op. Daar kan sprake zijn van verkrijgende verjaring, ook als de bezitter (of de gebruiker van het recht) niet te goeder trouw is.

Akte vestiging erfdienstbaarheid

Een uitspraak Rechtbank van Leeuwarden van 23 februari 2000 als voorbeeld. In deze zaak was in de eigendomsakte van de woning onder meer de volgende bepaling opgenomen: ‘het verkochte heeft het recht voor het vervoer van mest, hooi en vee gebruik te maken van het naastliggende erf, eigen aan Jilles Talsma, zulks op minst bezwarende wijze’. De erfdienstbaarheid is destijds gevestigd opdat de vorige eigenaar zijn bedrijf kon exploiteren. Krachtens artikel 5:73 BW wordt de inhoud van een erfdienstbaarheid primair bepaald door de akte van vestiging. De president is van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling zeer beperkt en helder is omschreven en dat men aan de beoordeling van de bedoeling van partijen niet toekomt. Met het vertrek van het kleinschalig boerenbedrijf is volgens de verjaring van de bepaling ingezet op grond van een blijkbare en met het servituut strijdige daad, de erfdienstbaarheid werd immers niet meer gebruikt op de wijze waarop deze in de akte was omschreven. Om die reden is de erfdienstbaarheid thans teniet gegaan.

Erfdienstbaarheid wijzigen of opheffen

De rechter kan een erfdienstbaarheid wijzigen of opheffen. Een advocaat kan daartoe een verzoek indienen. Dit kan slechts onder strikte voorwaarden, namelijk:

– indien er sprake is van onvoorziene omstandigheden waardoor de erfdienstbaarheid in redelijkheid niet in stand kan blijven;
– indien de erfdienstbaarheid langer dan 20 jaar bestaat en het voortbestaan van de erfdienstbaarheid in strijd is met het algemeen belang;
– indien de uitoefening van de erfdienstbaarheid onmogelijk is geworden en waarschijnlijk onmogelijk zal blijven;
– indien er geen redelijk belang (meer) is bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid.

Of de rechter de opheffing van de erfdienstbaarheid zal toewijzen hangt af van de omstandigheden van het specifieke geval. Een gespecialiseerde advocaat vastgoed kan u daarover adviseren.