19 april 2012

Bewijs of bewijsstukken vorderen; advocaat vordert in kort geding afgifte bewijsmateriaal

Categorie: Bestuursrecht

Achter houden van bewijs: kort geding over bewijsmateriaal

Een advocaat kan in kort geding vorderen dat bewijsmateriaal dat een ander onder zich heeft wordt overgelegd of ter inzage wordt gegeven. Vraag een advocaat wat uw kansen zijn om in kort geding een vordering in te stellen over bewijs, dat bijvoobeeld wordt achtergehouden. Door het achterhouden van bewijs kan een eisendepartij een bewijsprobleem hebben.

Artikel 843a Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat:

  1. Hij die daarbij rechtmatig belang heeft, kan op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Onder bescheiden worden mede verstaan: op een gegevensdrager aangebrachte gegevens.
  2. De rechter bepaalt zo nodig de wijze waarop inzage, afschrift of uittreksel zal worden verschaft.
  3. Hij die uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is, is niet gehouden aan deze vordering te voldoen, indien de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn.
  4. Degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, is niet gehouden aan deze vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.
    Wil iemand een beroep op artikel 843a Rv toekomen dan dient de eiser of verzoeker een rechtmatig belang te hebben (i), en het moet gaan om een onderhandse akte (ii), aangaande een rechtsbetrekking waarin eiser of verzoeker of zijn rechtsopvolger partij is (iii).

Voorbeeld advocaat: vermoeden van vervalst bewijsstuk; vordering overlegging origineel

Indien de partij gemotiveerd betwist dat het afschrift overeenstemt met het origineel en daarom overeenkomstig art. 85 lid 2 of art. 843a en 843b Rv. via zijn advocaat overlegging van het origineel verzoekt, heeft hij recht op overlegging van het origineel. Bij gebreke van overlegging van het origineel zal de rechter al naar gelang de omstandigheden van het concrete geval beslissen of aan die niet-overlegging eventueel het in art. 85 lid 3 genoemde gevolg (terzijdelegging van het stuk) moet worden verbonden. Wanneer het origineel niet meer aanwezig is zal de rechter eventueel een rechterlijk vermoeden van echtheid kunnen ontlenen aan feiten en omstandigheden gelegen buiten die kopie of reproductie zelf. Zo zal rekening kunnen worden gehouden met de technische of organisatorische voorschriften voor de methode van reproductie of opslag. Bij nauwgezette naleving van die voorschriften zal de rechter geneigd zijn de betrouwbaarheid van het aangeboden stuk te aanvaarden. Bij betwisting van de overeenstemming van de kopie en het origineel zal de rechter hoge eisen aan de motivering stellen.
In een uitspraak van de Hoge Raad is bepaald dat een partij kan slechts inzage, afschrift of uittreksel vorderen, geen afgifte van het originele bescheiden (HR 31 mei 2002, NJ [2003/589](<dial: 2003/589>), LJN AA4877; K./Aegon).

Processuele aspecten beslag bewijs

De vordering wordt door de advocaat bij dagvaarding ingesteld tegen degene die over de bescheiden waarvan inzag, afschrift of uittreksel wordt gevraagd, beschikt of onder zich heeft. Dit kan de wederpartij zijn, maar ook een derde.
Nakoming vorderen van de bijzondere exhibitieplicht van dit artikel geschiedt door de advocaat tijdens de procedure door middel van een incidentele vordering, indien het stuk zich bij de wederpartij bevindt. Buiten de procedure wordt de vordering bij dagvaarding ingesteld, bijvoorbeeld in kort geding, een bodemprocedure of een reconventionele vordering.
Betreft de vordering inzage, afschrift of uittreksel van een stuk dat zich bij een derde bevindt, dan wordt de vordering door de advocaat bij dagvaarding ingesteld. De vordering kan echter op andere wijze aanhangig worden gemaakt, bij voorbeeld bij wege van een rogatoire commissie ingevolge het Haags Bewijsverdrag 1970 (HR 18 februari 2000, NJ [2001/259](<dial: 2001/259>), LJN AA4877; News c.s./ABN-AMRO). Ook is aannemelijk dat de derde in het geding kan worden betrokken krachtens het bepaalde in art. 118 Rv.

Eis in kort geding tot inzage bewijsmateriaal

De eis tot inzage etc. is een zelfstandig vorderingsrecht, toekomend aan de belanghebbende. Deze kan tegen een eventuele afwijzing appelleren.
In een uitspraak va het Hof ‘s-Gravenhage 21 december 2010, NJF 2011/94, LJN BP1556 oordeelt de rechter dat tussentijds appel niet mogelijk is. Het vonnis waarin een vordering ex art. 843a Rv. wordt afgewezen, is niet aan te merken als een (gedeeltelijk) eindvonnis, nu immers niet door een uitdrukkelijk dictum een einde gemaakt aan het geding omtrent enig deel van de rechtsvordering. Het hof verwijst naar het arrest van HR 22 januari 2010, NJ [2011/269](<dial: 2011/269>), LJN BK1639; X/Y) en oordeelt dat een beslissing inzake een incident ex art. 843a Rv. ziet op de voortgang en instructie van de zaak.

Rechter oordeelt over het verstrekken van bewijs aan eisende partij

De rechter bepaalt zo nodig op welke wijze de inzage, afschrift of uittreksel zal worden verschaft. Hij kan bijvoorbeeld een derde aanwijzen die inzage zal nemen en een afschrift of uittreksel zal maken. Daarbij denke men aan iemand die tot geheimhouding verplicht is, zoals een notaris of arts. Daarmee kan voorkomen worden dat eiser meer te weten komt dan nodig is voor het beoogde doel. Ook kan de rechter, ter voorkoming van verspreiding van de stukken, bepalen dat de informatie alleen op de griffie ter inzage gedeponeerd hoeft te worden, of een partij een geheimhoudingsverplichting opleggen op grond van art. 29 Rv (Hof ‘s-Hertogenbosch 28 september 2004, JOR 2005/23). Stel vrijblijvend je vraag over bewijs aan advocaat Mark van Weeren.