28 januari 2014

Redelijke termijn en matiging boete

Categorie: Bestuursrecht

Uitspraak binnen redelijke termijn (art. 6 EVRM) en matiging boete

AFM in beginsel de bevoegdheid toe een bestuurlijke boete op te leggen wegens overtreding van artikel 2:96 van de Wft. Het gaat er mede om of de AFM in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van deze bevoegdheid. AFM heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in de gesprekken sprake is geweest van het geven van beleggingsadvies door de heer A. Hij heeft voorts cautieplicht is geschonden. De heer A had vergunning met betrekking tot het adviseren over financiële instrumenten. AFM heeft de boete aan de hand van artikel 1:81, eerste lid, van de Wft (oud) en het Besluit boetes Wft vastgesteld op € 192.000,-.

Beroep tegen bestuurlijke boete; matiging boete door rechter

Er wordt beroep aangetekend bij de rechtbank tegen deze bestuurlijk boete van de AFM. De advocaat heeft succes met zijn verweer tegen de boete. De rechtbank is van oordeel dat de heer A weliswaar bewust heeft afgezien van een vergunning voor beleggingsadvies, maar zij acht de in de gesprekken gedane uitlatingen niet zodanig ernstig dat een boete van € 192.000,- in redelijke verhouding tot de overtreding staat. Nu voorts kan worden aangenomen dat geen consumenten (of cliënten) zijn benadeeld door het handelen van [A], ziet de rechtbank aanleiding de boete te matigen tot een bedrag van € 96.000, -.

Redelijk termijn bij bestuurlijk boete AFM

De rechtbank overweegt verder ambtshalve dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Uit de vaste jurisprudentie met betrekking tot de redelijke termijn als bedoeld in dit verdragsartikel (zie HR 22 april 2005, LJN: AO9006 en HR 19 december 2008, LJN: BD0191) volgt dat voor de berechting van een boetezaak in eerste aanleg als uitgangspunt heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij er sprake is bijzondere omstandigheden. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete rechtspersoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de redelijke termijn in deze zaak een aanvang genomen met het voornemen tot het opleggen van de boete van 24 september 2010.

Rechter matigt boete wegens overschrijding redelijke termijn

De rechtbank constateert dat de procedure vanaf dit moment tot het tijdstip waarop de rechtbank uitspraak doet meer dan 2 jaar is verstreken, terwijl de zaak niet dermate ingewikkeld is dat een langere behandeltermijn als redelijk moet worden aangemerkt. Aangezien voorts de duur van de procedure niet of niet in overwegende mate aan A is te wijten, ziet de rechtbank aanleiding het boetebedrag te verminderen met 5%, zodat een boete resteert van € 91.200,-

Rechtbank Rotterdam, 24 januari 2014, ECLI:NL:RBROT:2013:213