7 januari 2014

Advocaat over beleggingsadvies en zorgplicht bank

Categorie: Bestuursrecht

Beleggingsadvies van de bank

In dit geschil ging het om een advies van ABN-AMRO aan de klant om met de overwaarde van zijn woning te gaan beleggen in opties en aandelen. Dit advies zou in 1997 gegeven zijn. In 1997 heeft de betreffende klant een hypothecaire geldlening bij ABN-AMRO afgesloten ter hoogte van EUR 226.890,-. Een deel van die hypothecaire geldlening is overgemaakt naar de beleggingsrekening bij ABN-AMRO Bank.

Op dat moment had de klant geen ervaring met beleggen.

Naast dit bedrag, kende de effectenrekening een effectenkrediet, hetgeen 70% van het effectendepot mocht bedragen.

Op 7 augustus 1998 is voor het eerst een dekkingstekort ontstaan. Een dekkingstekort houdt in dat als gevolg van het afnemen van de waarde van de portefeuille er bij opbrengst onvoldoende overblijft om aan de verplichtingen te voldoen.

Vervolgens heeft de klant in 2000 zich ingeschreven op de beursgang van het bedrijf World Online. Hierna heeft zich een tweede dekkingstekort voorgedaan. De reden hiervoor was dat de waarde van de aandelen aanzienlijk daalde. In september 2000 is voor een derde maal een dekkingstekort ontstaan.

De klant heeft vervolgens bij brief van 10 mei 2005 de bank aangeschreven.

Beleggingsadvies en verjaring

ABN voert als meest verstrekkende verweer dat de vorderingen van de klant zijn verjaard, dit op grond van artikel 3:310 BW. Dit artikel kent namelijk een verjaringstermijn van vijf jaar. Deze verjaringstermijn kan worden gestuit door een stuitingsverklaring. Over het verjaren van een vordering treft u hier meer informatie aan.

De klant betwist dat de vorderingen zijn verjaard. Hij geeft aan dat de verjaringstermijn pas is gaan lopen op het moment dat hij zich voor het eerst besefte dat de bank aansprakelijk kon zijn. De rechtbank geeft hierover aan dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verloopt na vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak gaat het daarbij om een daadwerkelijke bekendheid (HR 6 april 2001, NJ 2002, 383) en het enkele vermoeden van het bestaan van de schade is niet voldoende (HR 24 januari 2003, NJ 2003, 300). Ook overweegt de rechtbank dat degene die zich op verjaring beroept (dus ABN-AMRO Bank) moet stellen, en zo nodig bewijzen, dat de klant daadwerkelijk bekend was met schade en de daarvoor aansprakelijke persoon.

Beleggingsadvies en zorgplicht

De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat de klant op het moment van aanzuivering van de dekkingstekorten bekend is geworden met de schade. Wel is dan de vraag of de klant toen al wist dat hij ABN-AMRO voor die schade zou kunnen aanspreken. De klant stelde dat dat besef pas eind januari 2001 bij hem is ontstaan. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van ABN-AMRO Bank, die luidde dat het evident zou zijn dat het ontstaan van dekkingstekorten meebracht dat de klant moest weten wie hij daarvoor moest aanspreken. Zo overweegt de rechtbank:

“Immers, volgens vaste jurisprudentie mag in een beleggingsadviesrelatie tussen een particuliere belegger en een bank, waarvan volgens ABN-AMRO hier sprake was, de belegger in beginsel ervan uitgaan dat de bank jegens hem de op haar rustende zorgplichten naleeft. Het enkele feit dat de beleggingen waarop de beleggingsadviesrelatie betrekking heeft een tegenvallend rendement hebben of tot verliezen leiden, wijst niet zonder meer erop dat de bank in die plicht tekort is geschoten. Die enkele omstandigheid hoeft voor de belegger in beginsel dan ook geen reden voor onderzoek te zijn (vgl. HR 8 februari 2013, ECLI: NL: HR: 2013: BY4600, r.o. 4.3.2. en 4.3.3.). Zeker tegen die achtergrond valt zonder nadere uitleg, die niet is gegeven, niet in te zien waarom (eiser) in dit geval bij het ontstaan van de dekkingstekorten al ermee bekend zou zijn dat ABN-AMRO daarvoor aansprakelijk was.”

Maar ABN-AMRO Bank had ook nog een ander verweer. ABN-AMRO Bank gaf namelijk aan dat de stuitingsbrief geen “stuitende werking zou hebben”. Daar gaat de rechtbank deels in mee. De rechtbank overweegt namelijk:

“Een stuitingsbrief heeft immers slechts stuitende werking ten aanzien van vorderingen die in de stuitingsbrief zodanig worden omschreven dat de schuldenaar daaruit kan begrijpen welk recht op nakoming wordt voorbehouden en waartegen de schuldenaar zich eventueel heeft te verweren.”

Dit geldt echter volgens de rechtbank alleen voor de vorderingen die zien op het dekkingstekort in 1998 en die zijn dan ook verjaard. Voor de overige vorderingen geldt dat niet.

Beleggingsadvies en klachtplicht

De bank stelt zich ook nog op het standpunt dat de klant te laat heeft geklaagd. De rechtbank is daar kort in en geeft aan dat de bijzondere zorgplicht met zich meebrengt dat daar groot gewicht aan moet worden gehecht. Zo overweegt de rechtbank:

“Aangezien (eiser) heeft aangevoerd dat ABN-AMRO in dit geval ondanks de lange klachttermijn niet in haar (bewijs)belangen is geschaad en ABN-AMRO dat verder ook niet concreet heeft tegengesproken, moet het beroep op artikel 6:89 BW ongegrond worden bevonden. Immers, het enkele feit dat een lange periode is verstreken voordat de klacht werd ingediend, is in deze situatie op zichzelf onvoldoende om het door ABN-AMRO gewenste ingrijpende gevolg – verval van alle rechten van (eiser) ter zake van de tekortkoming – te rechtvaardigen.”

Voor wat betreft de inhoudelijke overwegingen van de rechtbank, geldt dat de rechtbank alleen ingaat op de dekkingstekorten uit 2000 en 2001. Anders dan de klant heeft aangevoerd, gaat het hier niet om een margintekort, maar slechts om een dekkingstekort. Bij een margintekort gaat het om een optie waarvoor zekerheid moet worden aangehouden. Op het moment dat de waarde van de optie daalt, kan de betreffende klant gevraagd worden om de zekerheid aan te vullen. Bij een dekkingstekort is er een tekort door daling van de portefeuille in combinatie met het effectenkrediet. De rechtbank overweegt dat er bij een dekkingstekort toen een waarschuwingsplicht gold en een plicht om geen verdere aankopen/transacties uit te voeren. De vraag is dan wat de situatie zou zijn als de bank zou hebben voldaan aan haar waarschuwingsplicht. Voor wat betreft de periode van september 2000 en maart 2001 overweegt de rechtbank dat de klant niet heeft gesteld dat hij gevrijwaard zou zijn van beleggingsadviezen indien hij zou zijn gewaarschuwd. Zo overweegt de rechtbank:

“Zonder enige stelling dienaangaande van de zijde van (eiser) – die ontbreekt – kan niet worden ingezien dat hij anders zou hebben gehandeld als de ABN-AMRO hem eerder of anders op het dekkingstekort zou hebben gewezen. Het vereiste causaal verband tussen eventuele tekortkoming van ABN-AMRO in haar waarschuwingsplicht en het door (eiser) geleden beleggingsverlies na 15 september 2000 kan dus niet worden aangenomen.”

Voor wat betreft de periode maart 2000 en mei 2000 overweegt de rechtbank dat het hier wel gaat om een marginverplichting. Hierover oordeelt de rechtbank dat zij onvoldoende informatie heeft. Zij weet namelijk nog niet of er sprake van schade is doordat de bank niet heeft voldaan aan het sluiten van posities. Het verhaal is dus na 14 jaar nog niet afgelopen en de rechtbank verwijst de procedure naar de rol om zich uit te laten over de vraag wat de schade zou kunnen zijn.