12 maart 2014

Beëindiging van duurovereenkomsten

Categorie: Bestuursrecht

Opzegging duurovereenkomst

In deze zaak ging het –kort gezegd- om de beëindiging met onmiddellijke ingang door een importeur van een samenwerkingsovereenkomst tussen een importeur en een afnemer van fornuizen en aanverwante producten. De Voorzieningenrechter oordeelde dat de importeur in beginsel bevoegd was om de overeenkomst op te zeggen. De Voorzieningenrechter overwoog daarbij echter, in lijn met de arresten van de Hoge Raad, dat de eisen van de redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat. Uit diezelfde eisen kan, eveneens in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, volgen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding.

De importeur heeft de samenwerkingsovereenkomst destijds opgezegd, omdat de afnemer zich niet zou houden aan de afspraken die golden voor de afnemers van de importeur, zoals het door haar gehanteerde prijsbeleid.

De Voorzieningenrechter oordeelde dat, mede gelet op de lange duur van de samenwerking, de importeur een redelijke opzegtermijn in acht had moeten nemen of een vergoeding had moeten aanbieden. Dit omdat er volgens de Voorzieningenrechter geen zwaarwegende reden bestond was die een opzegging met onmiddellijke ingang rechtvaardigde. Nu de importeur geen redelijke opzegtermijn in acht had genomen noch een vergoeding had aangeboden, was de Voorzieningenrechter van oordeel dat de redelijkheid en billijkheid maakten dat de overeenkomst door de importeur niet op de onderhavige wijze kon worden opgezegd. De opzegging had dan ook niet tot gevolg dat de overeenkomst tussen partijen was geëindigd. De Voorzieningenrechter heeft de vordering tot nakoming van de afnemer vervolgens toegewezen.

Uit de geldende jurisprudentie van de Hoge Raad en ook deze uitspraak volgt dat een partij die een duurovereenkomst wenst op te zeggen, zonder dat partijen in die overeenkomst hebben voorzien in een opzegmogelijkheid, voorzichtig dient te handelen. Immers, indien (niet alsnog) een of een te korte opzegtermijn in acht wordt genomen (of geen (schade)vergoeding is aangeboden), kan het maar zo zijn dat de opzegging helemaal geen effect heeft en een partij dus nog steeds gebonden is aan de (rechten en verplichtingen uit de) duurovereenkomst.

Heeft u vragen over (de beëindiging van) duurovereenkomsten, neemt u dan vrijblijvend contact op met: