15 oktober 2014

Berekening van de goodwillvergoeding

Categorie: Commerciële contracten, Contractenrecht
Een handelsagent heeft ex art. 7:442 BW bij het einde van een agentuurovereenkomst recht op een goodwill vergoeding. Maar hoe moet een goodwillvergoeding ook alweer berekend worden?

Vergoeding van goodwill berekenen bij einde agentuurovereenkomst

Uit inmiddels vaste rechtspraak volgt dat de vaststelling van de goodwillvergoeding conform de hiernavolgende drie fasen verloopt;
(i) Kwantificeren van de voordelen die transacties met door de handelsagent aangebrachte klanten de principaal opleveren (artikel 7:442 lid 1, onder a, BW)
Enerzijds moet worden aangetoond dat de handelsagent nieuwe klanten heeft aangebracht en (of) de overeenkomsten met bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid. De bewijslijst rust hierbij op de handelsagent.
Het bedoelde voordeel van de principaal is gelegen in de mogelijkheid voor de principaal om de door de handelsagent tot stand gebrachte klantenrelaties na beëindiging van de agentuurovereenkomst te kunnen blijven gebruiken zonder daarover provisie aan de handelsagent verschuldigd te zijn. Het voordeel van de principaal wordt vastgesteld op basis van de in de laatste 12 maanden door de handelsagent verdiende bruto provisie betreffende de nieuwe en geïntensiveerde bestaande klanten, welk bedrag vervolgens wordt gecorrigeerd met factoren betreffende;
a. de verwachte tijdsduur waarbinnen de principaal uit dit soort transacties nog voordeel zal halen;
b. het verloop van het klantenbestand (wat zijn dan de te verwachte voordelen voor de principaal?);
c. de versnelde ontvangst van provisie-inkomsten door de agent die in één keer een vergoeding krijgt uitgekeerd. Hiermee wordt bedoeld dat het bedrag wordt geactualiseerd tot zijn huidige waarde (met behulp van een renteberekening).
Het gaat dus om de bruto provisie. Onder bruto provisie valt ook dat deel van de provisie, waaruit de agent cadeaus of kortingen aan klanten geeft. Indien een principaal andere vergoedingen betaalt aan de agent die onafhankelijk zijn van het aantal transacties, zoals bijvoorbeeld een bedrag voor reclame, dan wordt die vergoeding niet tot de bruto provisie gerekend.
(ii) Beoordelen of reden bestaat het aldus vastgestelde bedrag aan te passen met het oog op de billijkheid, gelet op alle omstandigheden van het geval en met name gelet op de door de handelsagent gederfde provisie; de billijkheid kan zowel een verhoging als een verlaging van het in de eerste fase vastgestelde bedrag meebrengen (artikel 7:442 lid 1, onder b, BW)
Het bedrag zal vanwege de billijkheidscorrectie in de regel hoger zijn indien de agent is gebonden aan een concurrentiebeding. Het bedrag zou lager kunnen zijn wanneer de omzet van de principaal een dalende trend laat zien.
Voor de begroting van de door de handelsagent gederfde provisie is mede van belang in hoeverre de handelsagent in staat zou zijn geweest nieuwe overeenkomsten af te sluiten bij klanten van de principaal die door een andere agent waren aangebracht.
(iii) Toetsen of het uit de twee eerdere berekeningsfasen volgende bedrag van het in lid 2 van artikel 7:442 BW bedoelde maximumbedrag niet te boven gaat.
In deze fase wordt getoetst of het aldus bepaalde bedrag de gemiddelde jaarbeloning van de agent niet te boven gaat. Als dat het geval is, wordt de klantenvergoeding tot de gemiddelde jaarbeloning beperkt. Ten aanzien van deze fase overweegt de Hoge Raad dat de “beloning” die de basis vormt voor berekening van het maximumbedrag moet worden opgevat als brutobeloning (welke ook door de agent betaalde onkosten omvat zoals cadeaus of kortingen).
Mocht u naar aanleiding hiervan vragen en/of opmerkingen hebben, neem dan gerust contact op met Blenheim Advocaten.