19 december 2013

Kan een BV zelf een vordering tot nietigverklaring of vernietiging van haar eigen besluit instellen?

Categorie: Bestuursrecht

In deze zaak ging het kort gezegd om het volgende. De BV wilde een besluit van één van haar aandeelhouders tegengaan en had zich daarom op (primair) vernietiging en (subsidiair) van dat besluit beroepen. De rechtbank Midden-Nederland oordeelde vervolgens dat de vordering van de BV tot nietigverklaring én de vordering tot vernietiging niet kunnen worden toegewezen. Artikel 2:15 lid 3 BW verhindert dit, aldus de rechtbank Midden- Nederland. Dit wetsartikel bepaalt dat vernietiging van een besluit van een orgaan van de rechtspersoon op verzoek van de betreffende rechtspersoon moet worden ingesteld “tegen diegene die door de voorzieningenrechter van de rechtbank is aangewezen op een daartoe gedaan verzoek van de rechtspersoon”.

Dit betekent dat een rechtspersoon niet zelf tegen haar aandeelhouders, of zoals in deze uitspraak: één van de aandeelhouders, een procedure tot nietigverklaring of vernietiging van haar eigen besluit kan instellen. In een dergelijke situatie moet de rechtspersoon eerst aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzoeken om een persoon aan te wijzen om haar belangen te behartigen. Vervolgens kan er verder geprocedeerd worden over de nietigheid of vernietiging van het betreffende besluit. Indien dit echter niet gebeurt, zal de rechtbank de rechtspersoon niet-ontvankelijk moeten verklaren in de vordering.

De beslissing van de rechtbank Midden-Nederland is naar mijn idee logisch; indien een vordering tot vernietiging van een besluit van een BV door de BV zelf zou worden ingesteld, wordt de BV immers in de onwenselijke positie gebracht dat zij zowel eiseres als gedaagde in dezelfde procedure is, ter zake van dezelfde vordering. De BV zou dan tegen zichzelf procederen.

De wet wil die onwenselijke situatie voorkomen en bepaalt dan ook dat een dergelijke vordering moet worden ingesteld tegen een persoon die door de voorzieningenrechter is aangewezen op een daartoe gedaan verzoek van die rechtspersoon. De rechtspersoon procedeert dan niet tegen zichzelf, maar tegen een “onzijdige derde”. Die derde kan overigens ook een bestuurder van de rechtspersoon zijn of een andere bij de rechtspersoon betrokken persoon. Hij handelt echter in de hoedanigheid van onzijdige derde.

Wat heeft te gelden in geval van een vordering tot nietigverklaring van een besluit, is op basis van deze uitspraak nog niet helemaal duidelijk. De wet zegt in dat geval namelijk niet jegens wie de vordering moet worden ingesteld. De rechtbank Midden-Nederland gaat er –op grond van aan analoge toepassing van het hier besproken wetsartikel- blijkens deze uitspraak van uit dat in een dergelijk geval hetzelfde heeft te gelden als voor het geval waarin een vernietigbaar besluit is genomen. Oftewel: een onzijdige derde moet de vennootschap in een dergelijke procedure vertegenwoordigen, na daartoe te zijn aangewezen door de voorzieningenrechter (op verzoek van de rechtspersoon). Of dit ook rechtens juist is, blijft nog even afwachten tot de wetgever of een hogere rechter zich hierover heeft uitgelaten.

Heeft u vragen over besluitvorming in rechtspersonen en/ of deze uitspraak in het bijzonder, neemt u dan vrijblijvend contact op met: