27 februari 2012

Bestuurdersaansprakelijkheid: verplichting tot behoorlijke taakvervulling.

Categorie: Ondernemingsrecht

De vennootschap is failliet en een van de twee aandeelhouders probeert haar schade op de bestuurder te verhalen. Deze doorbraakpoging strandt echter om diverse redenen.

Broekmans is enig aandeelhouder en bestuurder van J.C.M. Broekmans Beheer BV. Broekmans Beheer is op haar beurt enig bestuurder en voor 50% aandeelhouder van Broekmans Assurantiën. BRR houdt de overige 50% van de aandelen. Broekmans Assurantiën en BRR werken aanvankelijk samen en zijn in hetzelfde pand in Rotterdam gevestigd. In maart 2003 ontstaan er spanningen wanneer Broekmans namens Broekmans Assurantiën een exclusieve samenwerkingsovereenkomst met Optima aangaat, wat het einde betekent van de samenwerking met BRR. Kort daarop verhuist Broekmans Assurantiën naar Arnhem. Broekmans is bereid de aandelen van BRR over te nemen, maar de beide aandeelhouders worden het over de voorwaarden niet eens, ondanks een mediation van bijna anderhalf jaar. Er ontstaat een impasse en BRR stapt naar de OK. Het feit dat er sprake is van een impasse in de besluitvorming binnen de ava waardoor de bedrijfsvoering belemmerd wordt, is voor de OK reeds voldoende grond om een enquête te bevelen. Dat is in lijn met eerdere beschikkingen van de OK in impassezaken. De enquête zelf komt echter niet van de grond. Broekmans Assurantiën is inmiddels failliet en noch de curator noch de overige betrokkenen zijn bereid om de vereiste middelen beschikbaar te stellen.

BRR geeft de strijd niet op. Zij vordert vergoeding door Broekmans van de schade die BRR door het faillissement heeft geleden. De Rechtbank Arnhem wijst de vordering af. BRR heeft niet gesteld dat bestuurder Broekmans Beheer een specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens BRR heeft geschonden. Zonder een dergelijke schending kan geen sprake zijn van schade die BRR zelf heeft geleden en voor vergoeding in aanmerking komt. De schade die BRR lijdt doordat een jegens de vennootschap geschonden norm tot waardedaling van BRR’s aandelen heeft geleid, komt immers – als afgeleide schade – niet voor vergoeding in aanmerking. In het onderhavige hoger beroep herpakt BRR zich door een aantal concrete handelingen van Broekmans (Beheer) te noemen waarvoor de ava op grond van de statuten eerst haar goedkeuring had moeten geven. Volgens BRR strekken de desbetreffende statutaire bepalingen ter bescherming van BRR als aandeelhouder en is er dus sprake van schending van een specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens haar. Broekmans is daarom ex art. 2:11 BW schadeplichtig jegens BRR, aldus laatstgenoemde.

Het hof wijst de vordering van BRR om drie redenen af:

– Broekmans Beheer treft geen ernstig verwijt;

– het vereiste causaal verband tussen de gestelde schendingen en schade is niet aannemelijk gemaakt; en

– het verwijt dat de handelwijze van Broekmans Beheer onafwendbaar tot het faillissement heeft geleid, kan geen schending van een zorgvuldigheidsnorm jegens BRR opleveren.

De opvatting van het hof dat een bestuurder pas aansprakelijk kan zijn jegens een individuele aandeelhouder, indien de bestuurder een ernstig verwijt treft, is juist. De hoge drempel van art. 2:9 BW is in dergelijke gevallen overeenkomstig van toepassing.

Het hof oordeelt dat het verwijt dat de handelwijze van Broekmans Beheer onafwendbaar tot het faillissement heeft geleid geen schending van een specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens BRR kan opleveren.

Mr. Jeroen Latour geeft u ter zake uw positie als bestuurder en/of aandeelhouder graag advies en staat u graag bij in een eventueel te volgen procedure.