20 maart 2013

Verlenen van decharge en aansprakelijkheid van de bestuurder

Categorie: Bestuursrecht

Wanneer kan decharge aan een bestuurder worden verleend?

In de kern genomen gaan de geschillen tussen partijen over het volgende.

Blauwhoed B.V. verwijt aan Houben en De Smeth, voormalig statutair bestuurders van Blauwhoed B.V., dat zij – in strijd met het in het Blauwhoed-concern geldende risicobeleid – onverantwoorde risico’s hebben genomen met het aangaan van de realisatieovereenkomst d.d. 26 oktober 2007 betreffende het bouwproject Venray.

Het meest verstrekkende verweer van Houben is dat hij is gedechargeerd over de jaren 2006-2007, dat hem in de vaststellingsovereenkomst een decharge is toegezegd en dat hem in diezelfde overeenkomst een finale kwijting is verleend. De rechtbank concludeert dat de toegezegde decharge de verwijten dekt die Blauwhoed c.s. thans aan Houben maakt. Formeel is de decharge niet verleend. Deze had niet mogen worden geweigerd op grond van feiten en omstandigheden die ook al bekend waren of behoorden te zijn toen de vaststellingsovereenkomst werd gesloten. De weigering om formeel te dechargeren kan Houben daarom niet worden tegengeworpen. De slotsom is dat de vorderingen van Blauwhoed c.s. op Houben zullen worden afgewezen.

Ook voor De Smeth is het meest verstrekkende verweer het beroep op decharge. Hij beroept zich op de decharge die aan hem is verleend voor het bestuur over de jaren 2006-2007. Het betreft jaarlijks verleende decharges en geen decharge die is verleend bij gelegenheid van een vertrek, zoals in het geval van Houben. Blauwhoed B.V. betwist niet dat De Smeth decharge is verleend over de jaren 2006 en 2007, maar stelt dat hij daar geen beroep op kan doen omdat de ava niet bekend was met de normschendingen.

Bij de beoordeling wordt vooropgesteld dat een bij gelegenheid van de vaststelling van de jaarrekening verleende decharge zich niet uitstrekt tot informatie waarover een individuele aandeelhouder uit anderen hoofde – buiten het verband van de ava – de beschikking heeft gekregen, of tot gegevens die niet uit de jaarrekening blijken of niet anderszins aan de ava zijn bekendgemaakt voordat deze de decharge verleende (vergelijk Hoge Raad Staleman/Van de Ven).

Nu in geschil is of de ava bekend was met de door Blauwhoed B.V. gestelde normschendingen, zal Blauwhoed B.V. worden toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat de ava niet geïnformeerd was over de door Blauwhoed B.V. gestelde overtreding van de voorverkoopnorm ten tijde van de dechargeverlening over de jaren 2006 en 2007.

Indien Blauwhoed B.V. niet slaagt in het bewijs, worden de vorderingen op De Smeth in ieder geval afgewezen. Indien Blauwhoed B.V. wel slaagt in het bewijs, dan is de vervolgvraag of De Smeth persoonlijk aansprakelijk is. Daarop wordt hierna verder ingegaan.

Bestuurdersaansprakelijkheid (intern)

De grondslag van de vorderingen van Blauwhoed B.V. is art. 2:9 BW. Op grond van art. 2:11 BW rust de aansprakelijkheid van een rechtspersoon (i.c. Blauwhoed B.V.) als bestuurder van een andere rechtspersoon (i.c. Blauwhoed Eurowoningen Zuid BV (“BLEW”)) tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid daarvan bestuurder was.

De kern van het verwijt van Blauwhoed B.V. is dat De Smeth, samen met Houben, in strijd met het risicomanagementbeleid van het Blauwhoed concern heeft gehandeld door BLEW te laten inschrijven op het project Venray, en later BLEW de realisatieovereenkomst te laten aangaan, terwijl er geen verkoopnorm was opgenomen voor de grondgebonden woningen en er wel aanzienlijke boetes waren opgenomen (en voorzienbaar was dat dit er toe zou leiden dat het project niet financierbaar zou zijn). Het risicomanagementbeleid van het Blauwhoed concern bestaat volgens Blauwhoed c.s. enerzijds uit een voorverkoopnorm van 70% en anderzijds uit het (verplichte) gebruik van het risicobeheersings- en sturingsinstrument PKR.

Indien Blauwhoed B.V. slaagt in het bewijs van het bestaan van de voorverkoopnorm, dan kan De Smeth persoonlijk een ernstig verwijt gemaakt worden van de omstandigheid dat BLEW de realisatieovereenkomst is aangegaan zonder dat daarin een voorverkoopnorm van 70% was opgenomen. Bij het bestaan van een dergelijke interne, harde norm kon de directie geen genoegen nemen met mondelinge uitlatingen van GGZ dat het niet de bedoeling was om voor leegstand te bouwen. Ook had de directie in dat geval niet de mogelijkheid om de afwezigheid van de voorverkoopnorm van 70% af te wegen tegen de goede en kwade kansen en de voordelen die het project overigens bood (welke vrijheid de directie in beginsel wel zou hebben indien het risicobeleid van het Blauwhoed-concern geen voorverkoopnorm van 70% voorschreef). De rechtbank geeft een bewijsopdracht.

Indien u vragen heeft over decharge, het verlenen van decharge en/of bestuurdersaansprakelijkheid, dan kunt u geheel vrijblijvend contact opnemen met advocaat mr. Jeroen Latour.

Lees ook andere blogs van advocaat mr. Jeroen Latour.