16 januari 2013

Onrechtmatig handelen in een geschakelde rechtsverhouding: uw advocaat adviseert

Categorie: Bestuursrecht

De situatie was kort gezegd als volgt. HZPC is een in Nederland gevestigde exporteur van (poot)aardappelen. In 2007 heeft deze onderneming aardappelen verkocht aan een Angolese afnemer. De regering van Angola stelt het verplicht dat er een inspectie plaatsvindt door een in deze branche erkend inspectiebureau. Het wereldwijd opererende “Veritas-concern”, waarvan verweerster in cassatie de Nederlandse vestiging is, is gekwalificeerd als een dergelijk inspectiebureau. Normaliter hield voornoemde constructie in dat de Angolese afnemer een opdracht verstrekt aan de plaatselijke Veritas-agent te Angola om de betreffende partij pootaardappelen te onderzoeken. Daarna verzendt het Franse hoofdkantoor van Veritas een aanvraagformulier (“request for inspection”) per faxbericht aan HZPC. HZPC vult op het formulier de beoogde datum en plaats van de inspectie in en stuurt deze gegevens vervolgens per faxbericht naar de vestiging van Veritas in Nederland. Die Nederlandse vestiging dient vervolgens de inspectie uit te voeren.In het onderliggende geval heeft men – in afwijking tot de voornoemde reguliere gang van zaken – deze procedure niet correct doorlopen, in die zin dat het “request for inspection” na verzending door HZPC niet, althans niet correct is doorgevoerd. Gevolg hiervan is dat de verscheepte pootaardappelen niet aan een inspectie onderhevig zijn geweest, zulks met alle gevolgen van dien. De Nederlandse vestiging van Veritas wordt hiervoor door HZPC aansprakelijk gesteld.

De schadeposten betroffen kort gezegd: de (beweerdelijke) kosten van de inspectie in Angola, betaling van smeergelden en kosten voor demurrage (het schip mocht niet de haven in vanwege het feit dat het niet geïnspecteerd was). De vordering wordt geënt op onrechtmatige daad (6:162 BW). HZPC heeft betoogd dat Veritas onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door, in afwijking van de zojuist geschetste gebruikelijke gang van zaken, de inspectie niet tijdig uit te voeren. Ter onderbouwing beroept HZPC zich op het arrest Vleesmeesters/Alog (HR 24 september 2004, LJN AO9069, NJ 2008, 58) en Wierts/Visseren (HR 20 januari 2012, LJN BT7496). In voornoemde arresten is bepaald dat de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, kunnen meebrengen dat de contractant deze belangen dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen De rechter kijkt naar alle omstandigheden van het geval, zoals i) de hoedanigheid van partijen ii) de aard en strekking van de desbetreffende overeenkomst iii) de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken iv) de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was v) de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden vi) de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt.

Het gerechtshof wees de vordering van HZPC af, stellende dat (kort gezegd) HZPC had moeten checken of de vereiste inspectie tijdig had plaatsgevonden. In cassatie klaagt HZPC kort gezegd dat het hof de eerder bedoelde regel uit het arrest Vleesmeesters/Alog heeft miskend. HZPC stelt (onder meer) dat de contractuele rechtsverhouding tussen het Veritas-concern en de Angolese afnemer van de pootaardappelen “de zorgplicht kleurt die op Veritas B.V., als de uiteindelijke uitvoerder van de opdracht, rustte. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Nu er een contractuele verhouding tussen HZPC en Veritas ontbrak, acht de Hoge Raad de enkele omstandigheid dat de Nederlandse Veritas-vestiging de fax houdende het “request for inspection” heeft ontvangen maar daarvan geen kennis heeft genomen, onvoldoende voor het aannemen van onrechtmatigheid. Nu Veritas niet van de fax heeft kennisgenomen en dus niet op de hoogte is geraakt van het verzoek om inspectie, kan immers niet worden gezegd dat zij gehouden was haar gedrag mede door de belangen van HZPC te laten bepalen, aldus de Hoge Raad onder verwijzing naar het arrest Vleesmeesters/Alog.

Kort en goed; het arrest geeft aan dat voor het aannemen van onrechtmatigheid jegens de bij een contractuele rechtsverhouding betrokken derde tenminste is vereist dat de dreigende aantasting van de belangen van deze derde voorzienbaar was voor de aangesproken contractant. Daarvan was hier geen sprake.

Voor verdere vragen over geschakelde rechtsverhoudingen, derdenwerking en samenhangende contracten kunt u contact opnemen met mr. R. Roosjen.