27 november 2012

Koopovereenkomst van aandelen

Categorie: Bestuursrecht

  1. Financieringsmaatschappij Wagram heeft haar aandelen in Melfin BV verkocht aan vermogensbeheerder Melfund. Doel van deze transactie was het behalen van fiscaal voordeel door het verkrijgen en geldend maken van een in Melfin aanwezig potentieel liquidatieverlies. Art. 2 van de koopovereenkomst bepaalde dat de koopprijs van de aandelen zou bestaan uit een vast bedrag van NLG 150.000 en een variabel percentage van de te verrekenen verliezen. Art. 4 van de koopovereenkomst bepaalde dat in een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst kon worden vastgelegd, welk gedeelte van de verliezen voor verrekening in aanmerking zou komen, mits verkoper Wagram aan die overeenkomst haar voorafgaande goedkeuring zou verlenen. Zonder een dergelijke goedkeuring zou het in de vaststellingsovereenkomst betrokken gedeelte van het liquidatieverlies worden geacht te zijn verrekend. Op 28 september 2004 hebben Melfund en Melfin met de Belastingdienst een vaststellingsovereenkomst gesloten waarvan de omvang van het verrekenbare liquidatieverlies onderdeel uitmaakte. Melfund en Melfin hebben Wagram’s goedkeuring voor dit fiscale compromis gevraagd, maar Wagram heeft die geweigerd. Wagram vordert vervolgens op grond van art. 4 betaling door Melfund van een bedrag van ruim € 8 miljoen, gebaseerd op de stelling dat nu zij geen voorafgaande goedkeuring heeft gegeven, het gedeelte van het liquidatieverlies dat in de vaststellingsovereenkomst is betrokken, geacht moet worden te zijn verrekend.

    1. De kwestie komt neer op een uitleg van de koopovereenkomst die tussen partijen is gesloten. Partijen verschillen van mening over de uitleg van het begrip “The Loss”. Volgens Wagram ging het hierbij om het verlies dat volgens het door Melfund/Melfin jegens de Belastingdienst ingenomen standpunt voor verrekening in aanmerking zou moeten komen. Volgens Melfund ging het hierbij om het verlies dat naar het oordeel van de belastingrechter daadwerkelijk voor verrekening vatbaar is. Rechtbank en hof wijzen de vordering van Wagram toe. In aanmerking genomen de aard van de transactie, de omvang en gedetailleerdheid van de overeenkomst en de wijze van totstandkoming ervan (partijen hadden zich door externe adviseurs laten bijstaan), kennen rechtbank en hof beslissend gewicht toe aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin de overeenkomst is geformuleerd, gelezen in het licht van de overige, voor de uitleg relevante bepalingen daarvan.

    2. Melfund stelt beroep in cassatie in. De klachten gericht tegen de uitleg die het hof aan de koopovereenkomst heeft gegeven, falen bij gebrek aan feitelijke grondslag. Melfund beklaagt zich ook over het feit dat het hof haar bewijsaanbod heeft gepasseerd. Volgens Melfund heeft het hof miskend dat zij ten aanzien van de uitleg van de overeenkomst had aangeboden tegenbewijs te leveren, zodat specificatie van haar bewijsaanbod, conform vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, niet was vereist. Deze rechtsklacht treft doel. De Hoge Raad overweegt, kort gezegd, dat wanneer de rechter op basis van een taalkundige betekenis van de bewoordingen van een overeenkomst tot een bepaalde uitleg is gekomen, en de daartegen door gedaagde (Melfund) aangevoerde verweren nog niet inhoudelijk zijn behandeld, de uitleg waartoe de rechter voorshands is gekomen, vatbaar is voor tegenbewijs. Aan het aanbod tot tegenbewijs mogen in dat geval in beginsel geen bijzondere eisen worden gesteld, aldus de Hoge Raad (r.o. 3.5.2).

    3. De uitleg die het hof aan de overeenkomst heeft gegeven vloeit voort uit de toepassing door het hof van de door de Hoge Raad geïntroduceerde rechtsregel dat wanneer sprake is van, kort gezegd, een commercieel contract tussen professionele partijen die zich bij het opstellen van het contract door juridisch adviseurs hebben laten bijstaan, als uitgangspunt beslissend gewicht dient te worden toegekend aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de bewoordingen in het contract, gelezen in het licht van de overige, voor de uitleg relevante bepalingen van de overeenkomst. De door het hof gekozen uitleg is daarmee een vermoeden gebaseerd op andere, door Wagram bewezen (hulp)feiten (te weten: er is sprake van een commercieel contract tussen professionele partijen die zich hebben laten bijstaan door externe adviseurs). Een vermoeden is geen bewijsmiddel in eigenlijke zin, maar een gevolgtrekking uit andere, vaststaande (hulp)feiten. Onder het oude recht was dit anders, daar kwam het vermoeden uitdrukkelijk in de wet als bewijsmiddel voor. Sinds de invoering van het huidige bewijsrecht in 1988 is het vermoeden echter als bewijsmiddel uit de wet verdwenen. Niettemin gaat de Hoge Raad er in de onderhavige uitspraak vanuit dat ook wanneer de rechter via een vermoeden bewezen of aannemelijk oordeelt dat het door de ene partij gestelde feit (in dit geval: er is een overeenkomst met een bepaalde betekenis tot stand gekomen) zich heeft voorgedaan, de wederpartij daartegen tegenbewijs kan leveren. Dit is ook de heersende opvatting in de literatuur (zie onder meer Asser, Bewijslastverdeling, 2004, nr. 45). De tekst van artikel 151 lid 2 Rv (“Tegenbewijs, ook tegen dwingend bewijs, staat vrij”) laat dit ook toe. Tegenbewijs is dus niet alleen bewijslevering tegen door de wederpartij op voorhand met (al dan niet dwingende) bewijsmiddelen bewezen feiten, het is ook bewijslevering tegen een (wettelijk of jurisprudentieel) vermoeden.

    4. Het voorgaande is van belang bij de beantwoording van de vraag wat Melfund na verwijzing nu precies zal moeten bewijzen. Voor het slagen van tegenbewijs is in beginsel voldoende dat het eerdere, door de andere partij geleverde bewijs, door het tegenbewijs wordt ontzenuwd. Tegenbewijs kan worden geleverd door feiten te bewijzen die de eerder bewezen feiten onaannemelijk maken of uitsluiten. Het kan ook hierin bestaan dat de bewijsmiddelen of bewijsconstructies waarop het eerdere bewijs is gebaseerd, worden ontkracht. Tegenbewijs kan dus al slagen wanneer het ertoe leidt dat de rechter zozeer gaat twijfelen aan de juistheid van de aanvankelijk als vaststaand aangenomen feiten, dat de wederpartij alsnog geconfronteerd wordt met de noodzaak van bewijslevering. Het kan echter ook zo zijn dat aan het tegenbewijs hogere eisen worden gesteld en de rechter dit eerst als geslaagd oordeelt wanneer bewijs van het tegendeel is geleverd. In de onderhavige zaak kan Melfund na verwijzing proberen de hulpfeiten (een commercieel contract tussen professionele partijen, bijgestaan door juridisch adviseurs) te ontkrachten, die het hof ertoe hebben gebracht beslissende betekenis toe te kennen aan de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het contract. Het komt mij voor dat Melfund hierin zal zijn geslaagd als zij deze hulpfeiten weet te ontzenuwen, met andere woorden onaannemelijk kan maken. Slaagt zij hierin, dan zal Wagram alsnog de bewijslast krijgen van genoemde hulpfeiten. Slaagt Melfund hierin niet, dan resteert haar te bewijzen dat partijen een andere uitleg van het contract voor ogen hebben gehad dan de uitleg waartoe het hof voorshands, op basis van de bewezen hulpfeiten, is gekomen. De vraag is of in dat geval eveneens voldoende is dat Melfund de juistheid van de aanvankelijk als vaststaand aangenomen, taalkundige uitleg van het contract, ontzenuwt. Ik zou menen van niet. Met de introductie van het jurisprudentiële vermoeden dat een commercieel contract tussen professionele partijen die zich bij de totstandkoming ervan hebben laten bijstaan door juridisch adviseurs in beginsel moet worden uitgelegd aan de hand van de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin de overeenkomst is gesteld, is de Hoge Raad tegemoetgekomen aan de (bewijs)belangen van professionele partijen die zich, kort gezegd, op een taalkundige interpretatie van het contract wensen te beroepen. Anders gezegd: de Hoge Raad heeft het bewijsrisico voor deze professionele partijen verminderd. Daarmee verhoudt zich naar mijn mening niet dat de wederpartij bij het leveren van tegenbewijs tegen die taalkundige uitleg zou kunnen volstaan met (enkel) het ontzenuwen daarvan. Er zal door die wederpartij (in dit geval: Melfund) naar mijn mening bewijs moeten worden geleverd van het tegendeel, in dit geval: de uitleg waarvan Melfund meent dat die juist is.

    5. De Hoge Raad overweegt dat aan het aanbod tot tegenbewijs “in beginsel” geen bijzondere eisen mogen worden gesteld. Dit roept de vraag op in welke omstandigheden bijzondere eisen aan een aanbod tot tegenbewijs mogen worden gesteld. De verwijzing door de Hoge Raad naar zijn eerdere arrest van 19 januari 2007, NJ 2007/575 (Meyer/Pontmeyer) is in dit verband verhelderend. In die zaak had Meyer Europe in eerste aanleg uitvoering gegeven aan een bewijsopdracht. Zij had door het horen van een aantal getuigen, tevergeefs getracht tegenbewijs te leveren van een bepaalde, door de rechtbank voorshands aangenomen uitleg van de overeenkomst. In hoger beroep wilde Meyer Europe diezelfde getuigen nogmaals oproepen. Het desbetreffende bewijsaanbod werd door het hof als onvoldoende gespecificeerd gepasseerd. Volgens de Hoge Raad ging het in die zaak om een aanbod tot het leveren van “aanvullend tegenbewijs” en had Meyer Europe dit aanbod nader moeten toelichten, door te specificeren dat en waarom zij de desbetreffende getuigen opnieuw wilde doen horen. Van een dergelijke bijzonderheid is in de onderhavige zaak geen sprake, zodat – conform de hoofdregel – specificatie van het aangeboden tegenbewijs achterwege kon blijven.

    Mocht u nu vragen hebben rondom de uitleg van bepalingen in een SPA (koopovereenkomst van aandelen) neem dan geheel vrijblijvend contact op met advocaat ondernemingsrecht mr. Jeroen Latour advocaat bij Blenheim Advocaten op 020-5210100 of mail naar jeroenlatour@blenheim.nl.