4 januari 2016

Korte verjaringstermijn bij schikking in proces-verbaal

Categorie: Procesrecht

Korte verjaringstermijn bij schikking in een proces-verbaal

De Hoge Raad heeft recentelijk een antwoord gegeven op de vraag welke verjaringstermijn van toepassing is op een schikking welke tijdens een zitting tussen partijen is bereikt en is vastgelegd in een proces-verbaal. A

Verjaringstermijn; vijf of twintig jaar

Het komt regelmatig voor dat partijen tijdens een zitting (comparitie van partijen) een schikking treffen. Deze schikking wordt dan vaak vastgelegd in een proces-verbaal. De vraag die in deze zaak speelde, was of het proces-verbaal als een vordering uit overeenkomst moet worden gezien of als een rechterlijke uitspraak. De verjaringstermijnen tussen een vordering uit overeenkomst (vijf jaar) en een rechterlijke uitspraak (twintig jaar) verschilt aanzienlijk

Hoge Raad hanteert korte verjaringstermijn

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 november 2015 geoordeeld dat de ‘korte’ verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing is op het proces-verbaal waarin de verbintenissen van partijen als gevolg van een schikking zijn vastgelegd:

“Indien tijdens een comparitie van partijen een schikking tot stand komt, wordt, wanneer een partij dat verlangt, een proces-verbaal opgemaakt waarin de verbintenissen die partijen als gevolg van die schikking op zich nemen, worden vastgelegd. Hoewel de uitgifte van dit proces-verbaal geschiedt in executoriale vorm (art. 87 lid 3 Rv), wordt daarin derhalve de overeenkomst van partijen vastgelegd. Ook de in het onderhavige proces-verbaal vastgelegde vordering van eiseres is een vordering uit overeenkomst. Anders dan het onderdeel betoogt, wordt dat niet anders door de omstandigheid dat de afgifte van het proces-verbaal geschiedt door een rechter. De art. 3:306 e.v. BW regelen de verjaring van rechtsvorderingen. Deze verjaring is tevens bepalend voor de verjaring van de met die rechtsvorderingen verbonden executoriale titels, met uitzondering van het bepaalde in art. 3:324 BW. Nu de in het proces-verbaal vastgelegde vordering van eiseres een vordering uit overeenkomst is, geldt daarvoor ingevolge art. 3:307 lid 1 BW een verjaringstermijn van vijf jaar. Anders dan het onderdeel betoogt, brengt de omstandigheid dat de vordering is vastgelegd in het proces-verbaal van de comparitie niet mee dat de verjaringstermijn van art. 3:324 BW geldt, nu de vastlegging van een schikking in een proces-verbaal niet kan worden aangemerkt als een rechterlijke uitspraak.”

Blenheim Advocaten

Mocht u worden geconfronteerd met een gerechtelijke procedure of zoekt u advies bij het onderhandelen van een schikking, neem dan (vrijblijvend) contact op met Blenheim Advocaten.