4 juni 2013

Lijdelijkheid van de rechter

Categorie: Bestuursrecht

De lijdelijkheid van een rechter is het beginsel dat hij in het burgerlijk procesrecht een afwachtende houding dient aan te nemen ten aanzien van de door de partijen voor hem gebrachte zaken en zich onthoudt van een al te actieve inmenging in de (incasso)procedure.

Deze lijdelijkheid brengt ook met zich mee dat de rechter alle feiten die door de procederende partijen niet worden betwist en waar zij het over eens zijn als juist aanvaardt.

Op 26 maart 2013 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem een opvallend vonnis gewezen.

Het leek op het eerste gezicht om een simpel incasso kort geding te gaan. Na de ontbinding (buitengerechtelijk) van een overeenkomst tot koop van een aandelenpakket in een Surinaamse onderneming, vorderde de koper de koopsom terug van EUR 2.000.000,-, vermeerderd met rente en kosten van circa EUR 200.000,-. Gedaagde betwistte de ontbinding van de verkoopovereenkomst en zijn verplichting tot terugbetaling van het aankoopbedrag niet, maar maakte alleen bezwaar tegen de hoogte van de gevorderde rente en kosten.

Op het eerste gezicht leek het een uitgemaakte zaak. Ware het niet dat de voorzieningenrechter de kwestie niet vertrouwde.

Nadat beide partijen uitvoerig aan de tand waren gevoeld door de voorzieningenrechter, bleek dat gedaagde recent wegens grootschalige drugshandel en het witwassen van aanzienlijke geldbedragen was veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf. Uit het strafvonnis bleek dat bij gedaagde grote bedragen contant geld waren aangetroffen, zonder dat hij daar een geloofwaardige verklaring voor had kunnen geven. Uit datzelfde strafvonnis bleek dat gedaagde tijdens de strafzaak had geprobeerd voor hem ontlastend bewijs te creëren door iemand te benaderen om een (valse) verklaring te laten afleggen over de bij hem aangetroffen gelden. De voorzieningenrechter kreeg de indruk dat deze persoon de eiser in het kort geding was. Bovendien kwam ook de ontbonden koopovereenkomst voor in het strafvonnis.

Op grond hiervan beschouwde de voorzieningenrechter de koopovereenkomst als een schijnovereenkomst, die bedoeld was om derden te misleiden. De voorzieningenrechter vond daarom dat het kort geding ter incasso van de koopsom na ontbinding van de overeenkomst een oneigenlijk doel diende.

Het kwam de voorzieningenrechter voor dat partijen door middel van dit kort geding een vonnis probeerden te verkrijgen dat in het hoger beroep van de strafzaak dan wel in een ontnemingsprocedure kon worden gebruikt. Dat streven vond de voorzieningenrechter geen rechtens te respecteren belang. Hij was zelfs nog veel stelliger door te overwegen dat het geen rechterlijke taak is om mee te werken aan het legitimeren van schijnovereenkomsten. De voorzieningenrechter achtte zich daarom vrij om buiten de grenzen van het partijdebat te treden.

De voorzieningenrechter liet zich niet voor het karretje van partijen spannen en verklaarde eiser niet-ontvankelijk in zijn vorderingen en bepaalde dat partijen de eigen kosten moesten dragen, omdat hen beide blaam trof.

Uit dit vonnis blijkt dat een (voorzieningen)rechter (ver) buiten de grenzen van het partijdebat kan treden en dus niet uitsluitend lijdelijk hoeft te zijn.