18 januari 2016

Beroep WAV-boete vreemdelingen

Categorie: Bestuursrecht

Beroep tegen boete vreemdelingen in de bouw

De arbeidsinspecteurs van de Inspectie SZW hebben vastgesteld dat vier vreemdelingen van Malinese nationaliteit werkzaamheden verrichtten, bestaande uit het handmatig aanbrengen van leemstucwerk. Bij besluit van 29 oktober 2013 heeft de Inspectie een bestuurlijke boete opgelegd aan de werkgever van € 48.000,00 wegens vier overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav). In het kader van de vaststelling van het werkgeverschap is niet van belang of de vreemdelingen hun ambacht al dan niet zelfstandig uitoefenden. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank geoordeeld dat het bedrijf als werkgever in de zin van de Wav in het bezit had moeten zijn van tewerkstellingsvergunningen voor de vreemdelingen en artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft overtreden. De werkgever gaat in hoger beroep bij de Raad van State. Lees ook: boetebeschikking SZW.

Beroep advocaat op matiging boete werkgever

De werkgever heeft bij de bouw van haar nieuwe pand gezocht naar ambachtelijke en met sfeer en passie aangebrachte muurbekleding die bij haar visie past. Via haar architect is zij in aanraking gekomen met [de stichting] en heeft zij gekozen voor leemstucwerk, aangebracht door aan deze stichting verbonden Malinese meestermetselaars. De vreemdelingen hebben eerder via een stichting werkzaamheden verricht bij die ander bedrijven. Zwerkgever heeft contact opgenomen met de Nederlandse ambassade te Bamako in Mali en visa aangevraagd. De ambassade heeft desgevraagd bevestigd dat alles in orde was voor de komst van de vreemdelingen.

Matiging boete wegens gelijkheidsbeginsel

de arbeidsinspecteurs tijdens de controle zijn gewezen op die andere (vergelijkbare) gevallen, maar de minister heeft nagelaten om in die gevallen over te gaan tot controle en eventuele beboeting. De minister heeft ter zitting bij de Afdeling niet inzichtelijk kunnen maken waarom in die andere gevallen, hoewel het ging om een beperkt aantal van drie zaken, van controle en eventuele beboeting is afgezien. Het niet onderzoeken van die vergelijkbare gevallen duidt er niet op dat de opsporing en eventuele beboeting door de inspectie hoge prioriteit genoot. Het ligt in deze omstandigheden niet in de rede om aan de werkgever de volledige boete ten bedrage van het boetenormbedrag op te leggen. Verder wordt in aanmerking genomen dat de werkgever te goeder trouw de vreemdelingen werkzaamheden heeft laten verrichten, hierdoor geen financieel voordeel heeft behaald, de vreemdelingen niet heeft uitgebuit en het een eerste overtreding betreft. Derhalve ziet de Raad van State aanleiding de door de minister opgelegde boete aan de werkgever te matigen met 50%. Lees ook: boete Wet Arbeid Vreemdelingen.

Financiële positie werkgever reden matiging boete?

Volgens vaste rechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 21 maart 2012 in zaak nr. 200804672/1/V6), bestaat reden tot matiging van de opgelegde boete indien op basis van de door de beboete werkgever overgelegde financiële gegevens moet worden geoordeeld dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen. In deze zaak heeft werkgever heeft haar financiële positie niet met financiële gegevens gestaafd. Reeds hierom heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen en bestaat in zoverre geen (extra) grond voor verdergaande matiging van de boete.

Raad van State, 13 januari 2016, 201504294/1/V6