27 november 2012

Matiging van een boete door de rechter

Categorie: Bestuursrecht

Een boetebeding komt veel voor en maakt bij omvangrijkere (internationale) contracten vaak integraal deel uit van de overeenkomst. Ook zien we de boete vaak terug in een arbeidsovereenkomst (zulks op schending van onder andere het concurrentiebeding) en in algemene voorwaarden.

Vooraf dient te worden opgemerkt dat een boete niet altijd een geldsom hoeft te betreffen. Ook andere verplichtingen kunnen een verkapte boete behelzen en op grond daarvan zijn ook deze prestaties voor matiging vatbaar.

In beginsel geldt bij een boetebeding een ‘accessoir karakter’, dat inhoudt dat in beginsel het lot van de hoofdverbintenis moet worden gevolgd, tenzij dit strijdig is met het doel van de boete. Oftewel als er niet tekortgeschoten wordt (en er is niets afwijkends afgesproken) is er geen boete verschuldigd. Diverse uitspraken van de Hoge Raad (Ohra/Epon en Subat/X) hebben uitgemaakt dat ook een oneigenlijk boetebeding gematigd kan worden. Hiervan is sprake indien partijen zich verbinden tot een zekere prestatie, voor het geval één van de partijen een zekere andere prestatie niet zal verrichten, zónder dat zij zich tot die andere prestatie heeft verplicht. Hierin zit een wezenlijk verschil met het zuivere boetebeding, waarbij beide prestaties verschuldigd zijn, zij het dat zij niet tegelijk verschuldigd zijn, tenzij anders is overeengekomen. De rechter kan onder omstandigheden de matigingsbevoegdheid ook – analoog – toepassen op dit oneigenlijk boetebeding. Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat de afwezigheid van schade in beginsel niet beslissend is bij de beoordeling of een (contractueel boetebeding) verschuldigd is. De boete kan ook een punitief karakter hebben en los van het fixeren van schade ook tot aansporing dienen. In het Verenigd Koninkrijk zijn dergelijke boetes ontoelaatbaar.

Het uiteindelijke oordeel of een boete voor matiging in aanmerking komt is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De rechter kan deze boete op verzoek van een van de partijen matigen, ‘als de billijkheid dat klaarblijkelijk eist’ (art. 6:94 lid 1 BW). In zijn (maatstafgevende) arrest “Intrahof/Bart Smit” gaf de Hoge Raad een nadere invulling aan deze maatstaf: “De in deze bepaling opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts reden kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt mee dat de rechter pas als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen”(rov. 5.3).

Uit de arresten Ampatil/Weggelaar en Royal Sun/Polygram volgt dat ook de redelijkheid en billijkheid een rol kan spelen bij de omvang van de boete. Er kan dan betoogd worden dat er op de boete (gedeeltelijk) geen beroep kan worden gedaan op basis van art. 6:248 lid 2 BW, omdat het boetebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (gedeeltelijk) onaanvaardbaar is. Zowel de matiging (art. 6:94 BW) als de beperkende werking van de R&B (art. 6:248 lid 2 BW) moeten – mede gelet op de rechtszekerheid en contractsvrijheid – terughoudend, c.q. spaarzaam worden toegepast.

Ziet u zichzelf geconfronteerd met een boetebeding of wilt u in uw algemene voorwaarden of contract een boeteclausule opnemen, neemt u dan gerust contact op.