15 januari 2015

Onrechtmatig bewijs strafzaak bij bestuursrechter

Categorie: Bestuursrecht

Onrechtmatig bewijs uit strafzaak bruikbaar in bestuursrecht of bij belastingaanslag?

In geschil is of het strafrechtelijk onbruikbare bewijs ook wel onrechtmatig bewijs (wél) mag worden gebruikt voor navordering en bestuurlijke beboeting, zoals een bestuurlijke boete. De betrokkene in kwestie is vrijgesproken omdat de strafrechter niet heeft kunnen vaststellen dat het verkregen bewijs rechtmatig was. Het strafrechtelijk onbruikbare bewijs is in deze zaak door de Inspecteur gebruikt om aan de belanghebbende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen en vergrijpboetes op te leggen. Het Hof achtte het bewijsmateriaal weliswaar mogelijk onrechtmatig vergaard, maar niet onrechtmatig jegens de belanghebbende, en zag daarom geen reden het gebruik ervan voor aanslagoplegging of voor boeteoplegging uit te sluiten. Daarmee zat het hof op de lijn dat alleen sprake hoeft te zijn van bewijsuitsluiting pas bij ‘zozeer onbehoorlijk’ overheidshandelen. Het gehele advies van de AG over gebruik van (onrechtmatig) bewijs in het bestuursrecht is hier te vinden op rechtspraak.nl: Parket bij de Hoge Raad, ECLI:NL:PHR:2014:521, 13 juni 2014.

Bestuursrechter dient oordeel strafrechter over bewijs te volgen

De advocaat generaal bij de Hoge raad heeft eerder al deze situatie geprobeerd te nuanceren:
(i) voor de bestuursrechtelijke beoordeling van de (on)rechtmatigheid van de verkrijgingswijze van strafvorderlijk verkregen bewijsmateriaal aangesloten wordt bij het oordeel van de strafrechter;
(ii) voor de bepaling van de gevolgen van strafvorderlijke onrechtmatigheid voor het gebruik van strafvorderlijk onrechtmatig verkregen materiaal voor bestuurlijke beboeting in beginsel eveneens wordt aangesloten bij het strafrecht, nl. bij de strafvorderlijke regels voor consequenties van vormverzuim (art. 359a Sv);
(iii) voor niet-bestraffend gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal (zoals aanslagoplegging) aangesloten wordt bij het reeds bestaande toetsingskader voor bestuursrechtelijk ‘onbevoegdelijk’ verkregen bewijsmateriaal, i.e. de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Bij oplegging straf (punitieve sanctie) moet bestuursrechter onrechtmatig bewijs terzijde leggen

Het advies aan de Hoge Raad over gebruik van onrechtmatig bewijs in bestuursrechtelijk kader is: de A.-G. acht de uitspraak van het Hof oordeel ter zake van het punitieve gebruik van het materiaal rechtskundig onjuist, omdat zijn onrechtmatigheidsoordeel afwijkt van het onherroepelijke oordeel van de gespecialiseerde strafrechter. Bij dat oordeel moet de bestuursrechter zich zijns inziens aansluiten. De toelaatbaarheid, tenslotte, van het materiaal voor de oplegging van bestuurlijke boete of aanslag moet plaatsvinden door toetsing aan alle in aanmerking komende beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel. De strafrechter heeft niet kunnen beoordelen of c.q. hoe onrechtmatig de bewijsgaring was. Degene die door de belastingdienst of ander bestuursorgaan wordt geconfronteerd met omstreden bewijs, bijvoorbeeld bij een belastingaanslag of een bestuurlijke boete, kan een advocaat bestuursrecht de rechtmatigheid van de opgelegde sanctie laten beoordelen.

Bewijs van bestuursorgaan uit strafzaak dient de bestuursrechter indringend getoest te worden

De bestuursrechter zou bij de keuze van rechtsgevolg (van het gebruik van onrechtmatig bewijs uit een strafzaak) eveneens in navolging van de strafrechter, rekening kunnen houden met onder meer
(i) het belang dat het geschonden beginsel dient,
(ii) de ernst van onbehoorlijkheid,
(iii) de mate van verwijtbaarheid,
(iv) het nadeel dat er door wordt veroorzaakt,
(v) in hoeverre de belanghebbende daadwerkelijk is geschaad,
(vi) negatieve effecten van het verbinden van rechtsgevolg aan de onrechtmatigheid, en
(vii) de (overige) individuele omstandigheden van het geval.