20 december 2013

Ontheffing bestuurder die door Ondernemingskamer is benoemd

Categorie: Bestuursrecht

Ontheffing van een bestuurder die door de Ondernemingskamer is benoemd

In een uitspraak van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam van 30 oktober 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:4156) in een enquêteprocedure was onder meer de vraag aan de orde of de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder en beheerder van aandelen op verzoek van een aandeelhouder uit hun functie konden worden ontheven. Die uitspraak bespreek ik hierna.

In deze vennootschap was er sprake van een geschil tussen de aandeelhouders. In een eerder stadium van de procedure heeft de Ondernemingskamer een tijdelijke bestuurder benoemd voor de vennootschap alsmede een beheerder van de aandelen. Een van de aandeelhouders keerde zich vervolgens tegen deze bestuurder en beheerder. Uit de uitspraak maak ik op dat de achtergrond van het verzoek om ontheffing met name gelegen was in het feit dat de bestuurders een andere beslissing wilden nemen over de verkoop van aandelen in de dochtermaatschappijen dan de betreffende aandeelhouder.

Bij de beoordeling van dit verzoek, heeft de Ondernemingskamer in de eerste plaats herhaald dat artikel 2:349a lid 2 BW ruimte biedt voor wijziging, aanvulling of beëindiging van getroffen voorzieningen. Op grond van die bepaling is dus ook vervanging mogelijk van een door de Ondernemingskamer bij wijze van onmiddellijke voorziening benoemde bestuurder, wegens bezwaren tegen diens taakuitoefening.

Het verzoek moet worden beoordeeld in het licht van de taken van de bestuurder en de omstandigheden waaronder hij die taken dient te verrichten. Bij die beoordeling is de Ondernemingskamer terughoudend: de Ondernemingskamer bestuurt niet zelf en de door haar benoemde bestuurder verricht zijn taak in beginsel zelfstandig. De Ondernemingskamer overwoog al eerder dat een door haar benoemde bestuurder ook ten opzichte van de Ondernemingskamer zijn taak zelfstandig verricht (OK 14 juni 2013, ARO 2013/104), dat een dergelijke bestuurder een ruime beoordelingsmarge toekomt en dat hem alle in de wet en de statuten van een vennootschap aan een bestuurder toegekende bevoegdheden ter beschikking staan (OK 20 december 2012, ARO 2013/23).

Bezwaren tegen de wijze waarop de bestuurder zijn taak uitoefent, kunnen volgens de Ondernemingskamer echter slechts leiden tot ontheffing van de bestuurder uit zijn functie door de Ondernemingskamer, indien de bestuurder kennelijk onredelijk heeft gehandeld of – naar redelijkerwijs te verwachten is – zal handelen.

Diezelfde norm is van toepassing op een door de Ondernemingskamer benoemde beheerder van aandelen. Daar komt nog bij dat een beheerder van aandelen in het bijzonder – ook – heeft te waken voor de belangen van de houders van de door hem beheerde aandelen, gemeten naar objectieve maatstaven.

De bezwaren die de aandeelhouder aanvoerde tegen het handelen van de bestuurder en de beheerder van aandelen, moeten volgens de Ondernemingskamer derhalve worden beoordeeld in het licht van hun onderscheiden taken en de omstandigheden waaronder zij die taken dienen te verrichten. In deze zaak waren die omstandigheden kort gezegd de ernstig verstoorde verhoudingen tussen twee aandeelhouders en de zeer nijpende financiële situatie waarin de vennootschap zich al geruime tijd bevond.

De Ondernemingskamer verwerpt de bezwaren tegen de gestelde financieringsbehoefte en de urgentie daarvan. De onderneming van de vennootschap, en met name die van haar dochtermaatschappijen, biedt perspectief volgens de Ondernemingskamer, en er is de mogelijkheid deze op redelijke voorwaarden, die dat perspectief weerspiegelen, van de hand te doen. Volgens de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder kan worden voorkomen dat met de vennootschap ook haar dochtermaatschappijen te gronde gaan. In dat licht kan naar het oordeel van de Ondernemingskamer niet worden gezegd dat het voornemen tot verkoop van de dochtermaatschappijen en het uitvoeren van dat voornemen (op voorhand) als (kennelijk) onredelijk kan worden aangemerkt.

De overwegingen van de Ondernemingskamer komen in grote lijnen overeen met hetgeen de Hoge Raad (HR 19 februari 2010, «JOR» 2010/92) eerder voor een op de voet van art. 2:298 BW benoemde tijdelijke bestuurder heeft beslist: ‘een door de Ondernemingskamer benoemde functionaris oefent zijn functie zelfstandig uit en heeft alle daaraan inherente bevoegdheden, maar de aard van zijn benoeming als tijdelijk bestuurder brengt mee dat hij een zekere terughoudendheid in acht moet nemen bij het uitoefenen van zijn bevoegdheid’. In een extreem geval waarin een door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder deze terughoudendheid niet in acht zou hebben genomen, kan dit kennelijk onredelijk handelen van de betrokken functionaris vormen, op grond waarvan de Ondernemingskamer een verzoek om hem te vervangen, zou kunnen toewijzen.

In het onderhavige geval zag de Ondernemingskamer gezien de geldende normen en de omstandigheden van het geval geen aanleiding de benoemde bestuurders te ontheffen uit hun functie. Dit kan zoals gezegd onder bijzondere omstandigheden wel degelijk een mogelijkheid zijn.

Voor nadere informatie over de ontheffing van een bestuurder, kunt u vrijblijvend contact opnemen met: