23 augustus 2013

Pensioenfonds en regelgeving

Categorie: Bestuursrecht

In deze blog bespreek ik hoe een pensioenfonds kan worden opgericht en bespreek ik in het kort enkele belangrijke regels waar een pensioenfonds zich aan moet houden.

Oprichting Pensioenfonds

Voor het oprichten van een pensioenfonds is toestemming van de Nederlandsche Bank N.V. (“DNB”) nodig. DNB gaat na of pensioenfondsen de Pensioenwet en aanverwante regelgeving naleven. Op grond van artikel 102 van de Pensioenwet moet een pensioenfonds na oprichting zich aanmelden bij DNB. Deze melding moet door middel van een aanmeldingsformulier binnen drie maanden geschieden na de oprichting van het pensioenfonds.

Bij de aanmelding moeten de navolgende stukken worden overgelegd:

· Een authentiek afschrift van de akte van oprichting;

· Een exemplaar van het reglement van het pensioenfonds (door het bestuur gewaarmerkt);

· Een afschrift van de uitvoeringsovereenkomst tussen de werkgever en het pensioenfonds (door het bestuur gewaarmerkt);

· Een actuariële en bedrijfstechnische nota;

· Een eventuele overeenkomst tot overdracht of herverzekering.

In de actuariële en bedrijfstechnische nota (ABTN) is de financiële opzet van het pensioenfonds omschreven. Het bestuur van het pensioenfonds moet daarin toelichten op welke wijze de pensioenovereenkomst gefinancierd gaat worden.

In het ABTN wordt onder meer omschreven hoe de opbouw van de pensioenaanspraken is opgebouwd, hoe deze worden gefinancierd, wat de samenstelling en de waardering daarvan is, wie het bestuur voert, et cetera.

Belangrijke bepalingen uit de Pensioenwet

Artikel 23 Pensioenwet is een kernartikel en omschrijft de wettelijke plicht voor de werkgever om het pensioenvermogen buiten het ondernemingsrisico te brengen (oftewel: “de onderbrengplicht”). Door deze onderbrengplicht ontstaan er twee rechtsverhoudingen; te weten de rechtsverhouding tussen de werkgever en de pensioenuitvoerder en de rechtsverhouding tussen de werknemer en de pensioenuitvoerder.

Dit artikel is in feite de juridische scheiding tussen de onderneming en de pensioeninstelling en vloeit voort uit de pensioenrichtlijn (2003/41/EG). Zo wordt gewaarborgd dat de pensioengelden door de werkgever niet voor andere doeleinden dan het pensioen kunnen worden aangewend.

Zelfs als zou de werkgever failliet gaan, dan nog gaan de voor pensioen bestemde gelden niet verloren.

Bestuur van het pensioenfonds

Een andere belangrijke bepaling is dat de bestuurders van het pensioenfonds deskundig en betrouwbaar dienen te zijn, en dat het bestuur wordt gevormd uit ten minste twee natuurlijke personen (artikel 105 Pensioenwet).

Daarbij is van belang dat bij De Eerste Kamer de Wet Versterking Pensioenbestuur in behandeling is. Op dit moment is het zo dat de wet voorschrijft dat het bestuur van de pensioenfonds mede moet worden bepaald door personen die deskundig zijn in verband met de uitoefening van het pensioenfonds.

Wet Versterking Pensioenbestuur

Als gevolg van het wetsvoorstel dat – zoals het er nu naar uitziet op 1 januari 2014 in werking zal treden – moet de deskundigheid van het bestuur van pensioenfonds worden vergroot en dient het interne toezicht te worden versterkt.

Er zijn diverse mogelijkheden om het bestuur anders in te richten.

Er zijn wat dat betreft drie mogelijkheden:

A. Een “Paritair bestuur” met externe deskundigen:

Het bestuur kan maximaal twee externe deskundigen toevoegen aan het bestuur. Dit versterkt de deskundigheid.

B. Onafhankelijk model

Het bestuur kan ook kiezen voor het onafhankelijk bestuursmodel. Het pensioenfonds wordt dan volledig bestuurd door externe bestuurders. Er moet dan wel een belanghebbend orgaan komen, waarin werkgevers, werknemers en pensioengerechtigden zijn vertegenwoordigd. Zij hebben advies- en instemmingsbevoegdheden.

C. Gemengd bestuursmodel:

In een gemengd bestuursmodel zijn de uitvoerende en toezichthoudende bestuursleden vertegenwoordigd in het bestuur. Er kan gekozen worden uit drie varianten:

• Paritair gemengd model: de uitvoerende bestuurders zijn de bestuursleden namens de werkgevers, werknemers en pensioengerechtigden, de niet-uitvoerende (toezichthoudende) bestuursleden moeten dan wel extern zijn;

• Omgekeerd gemengd paritair bestuur: de uitvoerende bestuurders zijn juist extern, de niet-uitvoerende (toezichthoudende) bestuursleden zijn de bestuursleden namens de werkgevers, werknemers en pensioengerechtigden.

• Onafhankelijk gemengd bestuur: zowel de uitvoerende als de niet-uitvoerende bestuursleden bestaan uit externen. Werkgevers, werknemers en pensioengerechtigden zijn in dit model vertegenwoordigd in het belanghebbendenorgaan.

Dit heeft dus gevolgen voor bestaande als nieuwe pensioenfondsen.

Prudent-person: het beleggingsbeleid

Een andere belangrijke bepaling betreft artikel 135 pensioenwet. In dit artikel worden eisen gesteld aan het beleggingsbeleid dat een pensioenfonds moet voeren.

Een pensioenfonds moet een beleggingsbeleid voeren dat in overeenstemming is met de “prudent person regel, en in het bijzonder is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

a. de waarden worden belegd in het belang van aanspraak- en pensioengerechtigden; en

b. beleggingen in de bijdragende onderneming worden beperkt tot ten hoogste 5% van de portefeuille als geheel, en ingeval de bijdragende onderneming tot een groep behoort, worden beleggingen in de ondernemingen die tot dezelfde groep als de bijdragende onderneming behoren, beperkt tot ten hoogste 10% van de portefeuille. Wanneer een groep van ondernemingen aan het pensioenfonds premies betaalt, geschieden beleggingen in deze bijdragende ondernemingen prudent, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van een behoorlijke diversificatie;

c. de beleggingen worden gewaardeerd op basis van marktwaardering.

Dit betreft een betrekkelijk open norm. De autoriteit financiële markten heeft daar wel een visie opgegeven, te weten dat er sprake moet zijn van een leeftijdsafhankelijke pensioenopbouw (ook wel life-cycle beleggen genoemd).

Uitgangspunt blijft echter wel dat pensioenfondsen de vrijheid hebben om naar eigen inzicht te beleggen. Het is dan ook in eerste instantie aan het pensioenfonds om prudent-person regel uit te leggen, en aan DNB als toezichthouder om te controleren of de open norm op een goede wijze is ingevuld. Bij die controle moeten de specifieke omstandigheden van het pensioenfonds worden betrokken, omdat er sprake moet zijn van maatwerk. Indien DNB vindt dat er niet is voldaan aan het prudente person regel, zal zij dit oordeel deugdelijk moeten motiveren. Dit volgt uit de zogenaamde “goudzaken”, waarin DNB ongemotiveerd stelde dat zij vond dat er voor een te groot percentage werd belegd in goud.

Advies over toepassing Pensioenwet

In dit artikel zijn slechts enkele belangrijke verplichtingen besproken. Indien u vragen heeft over de nieuwe Wet versterking Pensioenbestuur, of u heeft als pensioenbestuur wellicht een vraag over een informatieverzoek, een aanwijzing, een last onder dwangsom of een ander handhavend optreden, dan kunt u altijd contact opnemen met ons.