24 november 2014

Vennootschapsbelang

Categorie: Bestuursrecht

Vennootschapsbelang; de feiten

In een joint venture met twee 50%-aandeelhouders (A en B) treedt een derde aandeelhouder (C) toe met een 7%-belang. Als gevolg van de toetreding van C tot de joint venture, verwateren de belangen van A en B in de joint venture evenredig. Op het moment van toetreden door C in de joint venture was de samenwerking tussen A en B al niet optimaal te noemen.

Op enig moment zijn de verhoudingen tussen A en B in de joint venture verstoord. A die denkt B een hak te kunnen zetten in de joint venture door de aandelen van C over te nemen, met als gevolg dat A een meerderheidsbelang verwerft in de joint venture. Normaliter bestaat er een verplichte aanbiedingsregeling, waarvan in de praktijk door de invoering van de de Flex-B.V. kan worden afgezien, maar dat even terzijde. In de aandeelhoudersovereenkomst was echter tussen A en B bepaald dat een overdracht tussen aandeelhouders “vrij” was. A had bij de overname van de door C in de joint venture gehouden aandelen B niet geinformeerd. B werd dus geconfronteerd met een “fait acompli”. B, die dus de zeggenschap verliest, maakt het bestuur van de joint venture hiervan een verwijt.

Hoge Raad over vennootschapsbelang

Bij de procedure voor de Hoge Raad was – onder andere – aangevoerd dat het vennootschapsbelang grotendeels samenviel met de belangen van de aandeelhouders. Daarvan was ook de Ondernemingskamer uitgegaan. Volgens de Hoge Raad is die gedachte niet juist. Hij stelt voorop dat het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald wordt door “het bevorderen van het bestendige succes van de onderneming“.

Na de voornoemde algemene constatering overweegt de Hoge Raad specifiek voor een joint venture dat het vennootschapsbelang wordt bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. Belangwekkender is wat hij daarna zegt over de verhouding tussen de aandeelhouders:

De aard en inhoud van het samenwerkingsverband in een joint venture-vennootschap waarin de aandeelhouders een gelijkwaardig aandeel hebben, kunnen meebrengen dat (ook) het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders; dit kan betekenen dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder mogen veranderen dan in het licht van de omstandigheden geboden is.”

Voornoemde overweging van de Hoge Raad is bijzonder te noemen.

De Hoge Raad heeft zich namelijk nog nooit eerder zo uitgelaten. Wel was al eens uitgemaakt dat een aandeelhoudersovereenkomst zogenaamde vennootschappelijke werking kan hebben, wat er in de praktijk op neerkomt dat indien een aandeelhouder in strijd met de aandeelhoudersovereenkomst handelt dit handelen ook door kan werken op het niveau van de vennootschap (besluitvorming).

Vennootschapsbelang en joint venture: het bestuur

In zijn algemeenheid dienen de organen van een vennootschap zich redelijk en billijk jegens elkaar te gedragen en op te stellen. Dit is ook wettelijk verankerd in artikel 2:8 BW, welke bepaling specifiek ziet op een in acht te nemen redelijkheid en billijkheid jegens elkaar door organen van de vennootschap.

De Hoge Raad heeft nu specifiek geoordeeld dat in geval van een joint venture op het bestuur een zogenoemde zorgplicht rust in geval van wijzigingen in de zeggenschapsverhoudingen tussen de aandeelhouders van de joint venture. Uiteraard is een en ander afhankelijk van de omstandigheden van het geval, maar in beginsel dient het bestuur dus een zekere zorgplicht in acht te nemen.

De Hoge Raad oordeelt dat in onderhavig geval het bestuur niet als een “sitting duck” achterover had mogen leunen, toen zij ervan op de hoogte raakte dat A de aandelen van C in de joint venture wilde overnemen en hiermee dus een meerderheidsbelang in de algemene vergadering van de joint venture verkreeg. De Hoge Raad oordeelt dat het bestuur van de joint venture aandeelhouder B hiervan in kennis had behoren te stellen.

Het vennootschapsbelang en joint venture: de aandeelhouders

Het hiervoor genoemde artikel 2:8 BW ter zake de in acht te nemen redelijkheid en billijkheid door de organen van een vennootschap jegens elkaar geldt niet alleen voor het bestuur, maar ook voor de aandeelhouders in een joint venture.

Eerder had de Ondernemingskamer in een procedure geoordeeld dat de overdracht van de aan de door C in de joint venture gehouden aandelen aan A in strijd was met de redelijkheid en billijkheid die zij als aandeelhouders ten opzichte van elkaar in acht behoorden te nemen. A en C wisten, althans behoorden te weten, dat zij door de overdracht van de aandelen die C in de joint venture hield aan A, bewerkstelligden dat A een meerderheidsbelang ten koste van B kreeg in de joint venture.

De Hoge Raad houdt dit oordeel van de Ondernemingskamer in zijn arrest in stand.

Advocaat vennootschapsrecht over vennootschapsbelang

Ondanks het bestaan van een aandeelhoudersovereenkomst dienen bestuurders en aandeelhouders van een joint venture rekening met elkaar te houden en dienen zij – uiteraard afhankelijk van de omstandigheden van het geval – rekening te houden met ieders belang en het vennootschapsbelang. Indien er sprake is van een wijziging van zeggenschapsverhoudingen binnen de joint venture, dan dienen bestuurders en aandeelhouders het arrest van 4 april 2014 van de Hoge Raad in acht te nemen. Zorgvuldigheid is derhalve geboden.

Uiteraard is de bedoeling van partijen bij het redigeren van een aandeelhoudersovereenkomst van belang, echter indien de oorspronkelijke aandeelhouders van de joint venture streven naar een gelijkwaardigheid (fifty/fifty), dan dient daarmee rekening te worden gehouden, te meer indien de zeggenschapsverhouding ten gunste van één van de aandeelhouders wijzigt en die aandeelhouder daardoor een meerderheidsbelang in de joint venture (ver)krijgt.

Lees ook andere blogs van een van onze advocaten vennootschapsrecht >>>>>>