27 augustus 2026

Vergunningplicht voor winkeliers op de Nieuwendijk: aanpak ondermijning of nieuwe regeldruk?

Categorie: Bibob-procedure, Vergunningen

De burgemeester van Amsterdam heeft de Nieuwendijk (huisnummers 1 tot en met 108) aangewezen als gebied waar detailhandel uitsluitend nog met een exploitatievergunning mag worden uitgeoefend. Het besluit geldt voor een periode van vijf jaar en raakt alle detailhandelsbedrijven in het aangewezen gebied.

De maatregel past binnen de bredere bestuurlijke aanpak van ondermijning en leidt ertoe dat bestaande en nieuwe ondernemers worden geconfronteerd met een vergunningprocedure, een Bibob-toets en aanvullende verplichtingen ten aanzien van de bedrijfsvoering.

Waarom voert Amsterdam deze vergunningplicht in?

Volgens de burgemeester zijn er al langere tijd signalen van ondermijnende criminaliteit op de Nieuwendijk. In de toelichting wordt verwezen naar onderzoeken van onder meer het RIEC, de politie en de gemeente Amsterdam. Daarbij wordt gewezen op signalen van witwassen, ondergronds bankieren, betrokkenheid bij drugshandel en andere vormen van ondermijning. Ook zou sprake zijn van relatief veel openbare-ordemeldingen in vergelijking met andere delen van de stad.

De gemeente stelt dat bestaande handhavingsmaatregelen onvoldoende effect hebben gehad. Als voorbeeld noemt zij eerdere sluitingen van winkels vanwege Opiumwetovertredingen en arbeidsrechtelijke misstanden. Tegen deze achtergrond acht de burgemeester een vergunningplicht noodzakelijk om vooraf toezicht te kunnen houden op ondernemers, financieringsstromen en bedrijfsstructuren.

Wat betekent dit voor ondernemers?

De aanwijzing heeft verstrekkende gevolgen voor alle detailhandelsbedrijven in het aangewezen gebied, ongeacht of er concrete aanwijzingen bestaan dat een individuele ondernemer betrokken is bij ondermijning.

Voor ondernemers betekent dit onder meer:

  • een verplichte exploitatievergunning voor detailhandel;
  • indiening van een bedrijfsplan;
  • een Bibob-onderzoek;
  • toetsing van de bedrijfsvoering en financiering;
  • de verplichting om tijdens openingstijden een op de vergunning vermelde leidinggevende aanwezig te hebben.

Nieuwe ondernemers mogen niet zonder vergunning starten. Bestaande ondernemers krijgen een gefaseerde aanvraagtermijn, afhankelijk van het adres waar de onderneming is gevestigd. Wie tijdig een volledige aanvraag indient, mag de onderneming in beginsel blijven exploiteren totdat op de aanvraag is beslist.

Over de gevolgen van deze vergunningplicht, waaronder de toepasselijkheid van de Wet Bibob, schreven wij eerder de blog: Exploitatievergunning verplicht voor ondernemers op de Nieuwendijk in Amsterdam.

De Bibob-toets: vergaande gevolgen

Met de invoering van de vergunningplicht wordt ook de Wet Bibob van toepassing. Dat betekent dat de gemeente onderzoek kan doen naar de integriteit van de ondernemer, financiers, zakelijke relaties en de herkomst van investeringsgelden. Ook kan advies worden gevraagd aan het Landelijk Bureau Bibob.

Hoewel de Bibob-wet een belangrijk instrument is in de bestrijding van criminaliteit, ervaren veel ondernemers de procedure als belastend. De benodigde informatie is omvangrijk en de behandeling van vergunningaanvragen kan aanzienlijke tijd in beslag nemen. Ook bonafide ondernemers worden daardoor geconfronteerd met extra administratieve lasten.

Mag de burgemeester dit zomaar doen?

Nee. Een vergunningplicht die de vrije uitoefening van detailhandel beperkt, moet voldoen aan strikte juridische voorwaarden.

De burgemeester moet kunnen onderbouwen dat sprake is van een daadwerkelijk probleem op het gebied van openbare orde, leefbaarheid of ondermijning. Daarnaast moet worden aangetoond dat de vergunningplicht noodzakelijk en geschikt is om dat probleem aan te pakken. Ook moet worden onderzocht of minder ingrijpende maatregelen hetzelfde resultaat kunnen bereiken. Deze eisen volgen onder meer uit het evenredigheidsbeginsel en, voor zover sprake is van een dienstenactiviteit, uit de Dienstenrichtlijn.

Juist omdat een vergunningplicht alle ondernemers in een gebied raakt, moet de onderbouwing van een aanwijzingsbesluit zorgvuldig en concreet zijn. Algemene verwijzingen naar ondermijning zijn daarvoor niet altijd voldoende.

Bezwaar maken tegen het aanwijzingsbesluit

Ondernemers die door het aanwijzingsbesluit worden geraakt, kunnen bezwaar maken tegen het besluit van de burgemeester. Daarbij kan onder meer aan de orde komen:

  • of voldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van ondermijnende problematiek;
  • of het aangewezen gebied niet te ruim is afgebakend;
  • of de vergunningplicht noodzakelijk en evenredig is;
  • of minder vergaande maatregelen mogelijk waren;
  • of de maatregel verenigbaar is met de Dienstenrichtlijn.

Voor ondernemers is van belang dat een bezwaar tegen het aanwijzingsbesluit in beginsel het moment is om de vergunningplicht zelf ter discussie te stellen. Wie van mening is dat de burgemeester onvoldoende heeft onderbouwd dat een vergunningplicht noodzakelijk, geschikt en evenredig is, kan dat niet zonder meer bewaren tot een procedure tegen een latere vergunningweigering.

In een procedure tegen een weigering van een exploitatievergunning staat doorgaans de individuele vergunningaanvraag centraal. De vraag of het gebied terecht als vergunningplichtig gebied is aangewezen, is dan veelal al een gepasseerd station. Ondernemers die principiële bezwaren hebben tegen de invoering van de vergunningplicht doen er daarom verstandig aan tijdig bezwaar te maken tegen het aanwijzingsbesluit zelf.

Dat laat onverlet dat ondernemers vervolgens ook kunnen opkomen tegen een eventuele weigering van een exploitatievergunning of tegen aan een vergunning verbonden voorschriften.

Kritisch blijven op nieuwe vergunningplichten

Gemeenten zoeken steeds vaker naar bestuursrechtelijke instrumenten om ondermijning tegen te gaan. Een gebiedsgerichte vergunningplicht biedt daarvoor mogelijkheden, maar heeft tegelijkertijd grote gevolgen voor ondernemers die jarenlang zonder vergunning hebben kunnen exploiteren.

Daarom blijft het van belang kritisch te kijken naar de onderbouwing van dergelijke maatregelen. Is de vergunningplicht werkelijk noodzakelijk? Wordt het beoogde doel ermee bereikt? En staat de last voor ondernemers nog in verhouding tot het probleem dat de gemeente zegt te willen oplossen? Eerder ging een vergunningsplicht al onderuit omdat deze onvoldoende was gemotiveerd, lees deze blog voor meer informatie.

De beantwoording van die vragen zal uiteindelijk bepalen of een aanwijzingsbesluit zoals dat voor de Nieuwendijk juridisch standhoudt. Daarbij geldt dat de rechtmatigheid van een dergelijke vergunningplicht niet alleen van belang is voor ondernemers op de Nieuwendijk, maar ook voor andere gemeenten die vergelijkbare instrumenten willen inzetten in de strijd tegen ondermijnende criminaliteit.

Blenheim ondersteunt ondernemers regelmatig bij vergunningaanvragen, Bibob-trajecten en andere bestuursrechtelijke procedures. Heeft u vragen over een exploitatievergunning of een Bibob-onderzoek? Neem dan contact op met een van onze bestuursrechtspecialisten.