Oplevering van het werk

Een van de hoofdverplichtingen van de aannemer is het deugdelijk (en tijdig) opleveren van het werk. Het enkel afmaken van het werk leidt in beginsel niet tot oplevering. De status van het afgemaakte werk dient namelijk door de opdrachtgever ook als zodanig te worden aanvaard.
Vanaf het moment dat de aannemer de opdrachtgever mededeelt dat het werk klaar is dient de opdrachtgever binnen een redelijke termijn het werk te keuren en te aanvaarden, al dan niet onder voorbehoud van het nog herstellen van geconstateerde gebreken. Doet de opdrachtgever dat niet binnen een redelijke termijn dan wordt hij geacht stilzwijgend te hebben aanvaard. De opdrachtgever mag dus niet stil blijven zitten.
Dat er nog een aantal kleine gebreken zijn is geen reden om niet op te leveren. Immers, de oplevering kan plaatsvinden en ten aanzien van de gebreken kan een voorbehoud worden gemaakt zodat vast staat dat de aannemer die nog moet herstellen. De oplevering wordt veelal schriftelijk vastgelegd en door partijen ondertekend.

De aannemer dient steeds tijdig op te leveren. Bij een niet tijdige oplevering is veelal bepaald dat een boete wordt verbeurd. De hoogte van die boete is veelal contractueel overeengekomen of blijkt uit van toepassing verklaarde standaard voorwaarden.

Oplevering onder de UAV 1989

De oplevering wordt geregeld in paragrafen 9 en 10. De opdrachtgever zal zijn goedkeuring niet aan het werk mogen onthouden op grond van kleine gebreken die voor een nog volgende betalingstermijn kunnen worden hersteld. Voorwaarde daarbij is wel dat die gebreken een ingebruikneming niet in de weg staan.

Rechtsgevolgen van de oplevering ten aanzien van gebreken in het werk

Na oplevering is het werk voor risico van de opdrachtgever. Voorts heeft oplevering eveneens tot gevolg dat de aannemer is ontslagen van aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever ten tijde van de oplevering redelijkerwijze had moeten constateren (7: 758 lid 3). Op de opdrachtgever rust dus een onderzoeksplicht.
Het gaat strikt genomen om het kunnen ontdekken op het tijdstip van oplevering. Dit impliceert dus dat gebreken die voor het moment van oplevering door de opdrachtgever hadden moeten worden geconstateerd niet tot gevolg hebben dat de aansprakelijkheid van de aannemer vervalt.

UAV

De aansprakelijkheid na de oplevering (lid 3) is (onder meer) in paragraaf 12 aan de orde. Anders dan bij artikel 7:758 BW kan uit de UAV rechtsverlies voor gebreken die tijdens de uitvoering bij nauwlettend toezicht redelijkerwijs door de opdrachtgever onderkend hadden kunnen worden.

Herstel gebreken, in beginsel door aannemer zelf

Door de oplevering van het werk wordt in geval van constatering van gebreken het bepaalde in artikel 7:759 BW van belang. In dit artikel is bepaald dat ten aanzien van na de oplevering geconstateerde gebreken waarvoor de aannemer aansprakelijk is, de opdrachtgever in beginsel de aannemer de gelegenheid moet geven de gebreken binnen een redelijke termijn weg te nemen.
Dit is anders indien er omstandigheden zijn welke met zich meebrengen dat herstel door de aannemer van de opdrachtgever niet kan worden gevergd. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de opdrachtgever goede gronden heeft om aan te nemen dat de aannemer het gebrek niet deugdelijk zal (kan) herstellen.

Verjaringstermijn gebreken na oplevering

Artikel 7:761 BW bevat de verjaringstermijn voor vorderingen ten aanzien van gebreken in een opgeleverd werk. Gebreken in een opgeleverd werk en daar uit voortvloeiende rechtsvorderingen verjaren door verloop van 2 jaren, gerekend vanaf het moment dat de opdrachtgever ter zake het gebrek heeft geprotesteerd. De rechtsvordering verjaart in ieder geval door verloop van 20 jaren na oplevering in geval van aanneming van bouwwerken en naar verloop van 10 jaar in andere gevallen.

Voor het moment van protesteren is nog van belang het bepaald in artikel 6:89 BW. In dit artikel is de zogenaamde klachtplicht van de opdrachtgever neergelegd. Strekking is dat opdrachtgever op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de aannemer ter zake heeft geprotesteerd. Artikel 6:89 BW en artikel 7:661 BW dwingen de opdrachtgever er dus toe om rekening te houden met redelijke belangen van de aannemer. Immers, de kans dat het gebrek verergert wordt groter naarmate de opdrachtgever langer wacht met het aanspreken van de aannemer. Daarbij komt dat door het verstrijken van de tijd de bewijspositie van de aannemer moeilijker wordt.

Het is voor de opdrachtgever dus van belang om bij geconstateerde gebreken na oplevering met gerede spoed te klagen en de verjaringstermijn te bewaken. Bij een dreigend verlopen van de verjaringstermijn en dus verjaring van de vordering kan tot stuiting van termijn worden overgegaan. Dit brengt met zich mee dat de verjaringstermijn opnieuw gaat lopen. Het voeren van onderhandelingen over de aansprakelijkheid ten aanzien van gebreken stuit de verjaring in principe niet. De rechtsvordering tot nakoming van de verplichtingen van de aannemer, derhalve herstel van de gebreken, kan bijvoorbeeld worden gestuit door (schriftelijk) kenbaar te maken dat het recht tot vorderen van nakoming uitdrukkelijk wordt voorbehouden.

Uit het bepaalde in artikel 7:762 BW vloeit nog voort dat de aannemer ten aanzien van de aan hem bekende verborgen gebreken die hij heeft verzwegen zijn aansprakelijkheid niet kan beperken dan wel uitsluiten. Bovendien kan de aannemer voor die gebreken geen kortere verjaringstermijn in roepen dan die voortvloeit uit hoofde van artikel 7:761 BW.

Verdere informatie door een advocaat over bouwrecht

Voor verdere informatie over bouwrecht kunt u vrijblijvend contact opnemen met:

LAW - associated firm

Blenheim is lid van Lawyers Associated Worldwide.

lees meer

Contactformulier

Movie

Contactformulier