Rectificatie van publicaties door de rechter

Iedere dag worden er talloze artikelen gepubliceerd op het internet, in tijdschriften en kranten.
Met enige regelmaat zitten daar artikelen bij waarvan rectificatie wordt gevorderd. Soms wordt die eis door de rechter toegewezen en soms afgewezen.

Waar kijkt de rechter naar bij de beoordeling van een eis tot rectificatie?
En wanneer is een publicatie dan onrechtmatig?

Artikel 7 lid 1 van de Grondwet luidt:

“Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachte of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.”

Het Burgerlijk Wetboek geeft in artikel 6:167 de rechter een civielrechtelijk wettelijk kader waarbinnen hij te werk dient te gaan als hij de rechtmatigheid van een publicatie dient te beoordelen.

De door een publicatie benadeelde partij kan op basis van een onrechtmatige daad een schadevergoeding claimen, rectificatie vorderen en/of een verbod op herhaling eisen. Deze sancties zijn uiteraard alleen mogelijk als de rechter daadwerkelijk oordeelt dat de uiting in kwestie onrechtmatig is. Als de uiting voldoet aan een wettelijke delictsomschrijving, kan naast civiele onrechtmatigheid overigens ook (of in plaats daarvan) sprake zijn van een strafbaar feit.

Het begrip publicatie wordt (zeer) ruim opgevat, zodat artikel 6:167 BW op iedere openbaarmaking van toepassing kan zijn, dus ook voor zover deze niet in de pers is gedaan.

Een hoofdvraag die steeds beantwoord dient te worden is of er sprake is van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie. De vraag of een publicatie onrechtmatig is ligt in het spanningsveld tussen enerzijds het recht op uitingsvrijheid (artikel 10 EVRM) en het recht op bescherming van de eer en goede naam, de persoonlijke levenssfeer en het recht om gevrijwaard te worden van discriminatie anderzijds.
In iedere rectificatieprocedure (vrijwel altijd een kort geding) staan dan ook steeds twee maatschappelijke belangen tegen over elkaar: aan de ene kant het belang dat individuele burgers niet door publicatie in de pers worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen, aan de andere kant het belang dat niet door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, bepaalde misstanden die de samenleving raken kunnen blijven voortbestaan. Welke van deze belangen uiteindelijk de doorslag zal dienen te geven, hangt steeds af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden van het geval en de overige context.

De volgende omstandigheden zijn door de Hoge Raad (onder meer) relevant geacht voor het oordeel over de (on)rechtmatigheid van een publicatie:

  • de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen door voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben
  • de ernst van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen
  • de mate waarin de verdenkingen ten tijde van de publicatie steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal
  • de inkleding van de verdenkingen
  • de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de verweten publicatie via de pers, het in het algemeen belang nagestreefde doel door langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes had kunnen worden bereikt
  • de kans dat de betreffende informatie ook zonder de verweten terbeschikkingstelling aan de pers in de publiciteit zou zijn gekomen.

Eén van de belangrijkste omstandigheden in de belangenafweging is de mate waarin de verdenkingen steun vonden in het feitenmateriaal dat ten tijde van publicatie beschikbaar was. De rechter bekijkt hoe de situatie was op het moment dat de betreffende publicatie werd gedaan.

Als de rechter oordeelt dat er gerectificeerd dient te worden, dan stelt hij de tekst van de rectificatie vast in het vonnis.
Dat gebeurt overigens bijna altijd aan de hand van een door de eiser in de dagvaarding geformuleerde conceptrectificatie. Voorts kan de rechter bij rectificatie aangeven wat de exacte paginaplaatsing, het lettertype en de kop van de rectificatie moet zijn.
Ook kan hij verbieden dat in hetzelfde nummer redactioneel commentaar wordt gegeven op de rectificatie.
De eiser dient wel te vorderen dat de uitspraak van de rechter (en in dit soort zaken is dat in eerste aanleg vrijwel altijd de Voorzieningenrechter, die ook wel President of kort gedingrechter wordt genoemd) “uitvoerbaar bij voorraad” wordt verklaard. Laat de eiser dat na, dan schorst een hoger beroep de uitvoerbaarheid van het vonnis en hoeft er dus, in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep, vooralsnog niet te worden gerectificeerd.

Het is bij een geschil over een publicatie verstandig om een gespecialiseerde advocaat om advies te vragen.

Verdere informatie door een advocaat over mediarecht

Voor verdere informatie over mediarecht kunt u vrijblijvend contact opnemen met:

LAW - associated firm

Blenheim is lid van Lawyers Associated Worldwide.

lees meer

Contactformulier

Movie

Contactformulier