15 maart 2015

Aansprakelijkheid verontreiniging

Categorie: Bestuursrecht

Kan overheid eigenaar of veroorzaker verontreiniging aansprakelijk stellen

Wanneer sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging als bedoeld in de Wet Bodembescherming (Wbb), oefent de overheid enige regie en controle uit te aanzien van de sanering van en (na)zorg voor de saneringslocatie. Indien het geen ernstig geval van verontreiniging betreft, en de overheid geen actie onderneemt, zal degene die benadeeld is door verontreiniging zelf actie moeten ondernemen de vervuiler aansprakelijk kunne stelen. De Wbb bepaalt onder meer dat een partij die de bodem wil gaan saneren dat voornemen moet melden en, indien een ernstig geval van bodemverontreiniging wordt vermoed, daarbij een saneringsplan moet overleggen (art. 28 en 39 lid 1 Wbb). Het daartoe bevoegde bestuursorgaan stelt bij beschikking vast dat sprake is van een dergelijk ernstig geval en dat bepaalde saneringsmaatregelen moeten worden getroffen. Daarbij kan worden aangegeven door welke natuurlijke persoon of rechtspersoon de saneringsverplichting moet worden nagekomen (art. 29 lid 1, 37 en 39 Wbb). De partij die de sanering doet moet aan het bestuursorgaan verslag doen van de sanering en eventuele nazorgmaatregelen (art. 38b en 39c t/m 39e Wbb).

Sancties en maatregelen overheid tegen vervuiler of eigenaar verontreinigde grond

De wet voorziet voorts onder meer in de mogelijkheid om een bepaalde personen bevelen op te leggen (art. 43-47 Wbb). Zo kan een saneringsbevel worden opgelegd niet alleen aan de veroorzaker van een ernstige verontreiniging maar ook aan de eigenaar of erfpachter van het grondgebied waarop zich bij zodanige gevallen de verontreiniging bevindt of de directe gevolgen daarvan zich voordoen (art. 43 lid 3 Wbb). Het bevel wordt niet gegeven aan de eigenaar of erfpachter die bewijst ‘onschuldig’ te zijn als bedoeld in art. 46 Wbb; bij ‘gedeeltelijke schuld’ kan deze de mogelijkheid van een saneringsbevel afkopen. Degene die wordt aangesproken door de overheid doet er goed aan een gespecialiseerde advocaat moeten raadplegen. Ook een eigenaar wiens grond is verontreinigd door vervuiling veroorzaakt door een ander kan uit hoofde van onrechtmatige daad de veroorzaker van de verontreiniging aansprakelijk stellen voor sanering en kosten.

Saneringsbevel bij verontreiniging bedrijventerrein

Voor bedrijfsterreinen waar een geval van ernstige verontreiniging is ontstaan, vloeit sinds 1 januari 2006 uit art. 55b Wbb voort dat de eigenaar of erfpachter ervan verplicht is de bodem te saneren indien in een beschikking als bedoeld in artikel 37, eerste lid, is vastgesteld dat spoedige sanering noodzakelijk is. Het in art. 43 lid 3 Wbb bedoelde saneringsbevel ziet daarom niet op deze situatie. Het bevoegd gezag om op te treden tegen verontreiniging is in beginsel gedeputeerde staten van de betrokken provincie, maar kan ook zijn het college van B&W van een daartoe aangewezen gemeente (art. 88 Wbb). Haarlem is zo’n gemeente.

Schade verontreiniging: kosten onderzoek en sanering

Kosten van onderzoek en sanering zijn privaatrechtelijk aan te merken als vermogensschade. Art. 75 lid 1 Wet Bodembescherming verwijst naar degene “door wiens onrechtmatige daad de verontreiniging of de aantasting van de bodem in het betrokken geval is veroorzaakt en die deswege (…) jegens enige overheid krachtens burgerlijk recht aansprakelijk is voor de gevolgen daarvan.” Dit betreft aansprakelijkheid van de veroorzaker die jegens de overheid onrechtmatig heeft gehandeld door de vervuiling te veroorzaken omdat hij daarmee de overheid, die zich het saneringsbelang heeft aangetrokken, op kosten van onderzoek en sanering jaagt. Dat saneringsbelang van de overheid bestaat ongeacht wie de eigenaar van de te saneren grond is: de vervuiler zelf of een andere partij. Naar uit de rechtspraak van Uw Raad (reeds aangaande de Interimwet Bodemsanering) volgt, is in beginsel geen sprake van aantasting van het hier bedoelde saneringsbelang van de overheid bij verontreiniging die zijn veroorzaakt voor 1 januari 1975.

Procedure aansprakelijkstelling bij verontreiniging en kostenverhaal

Het is denkbaar dat een partij die een ernstig geval van bodemverontreiniging als bedoeld in de Wbb veroorzaakt op het terrein van een ander:

(a) op de voet van art. 75 Wbb jo art. 6:162 BW (met name aantasting saneringsbelang van de overheid) aansprakelijk is jegens de sanerende overheid, met name wanneer die daardoor onrechtmatig in haar saneringsbelang (2.7.3) is aangetast; de vordering zal beperkt zijn tot de in die bepaling bedoelde kosten van onderzoek en sanering, en
(b) op de voet van art. 6:162 BW (aantasting eigenaarsbelang) aansprakelijk is jegens de eigenaar van het verontreinigde terrein, bijvoorbeeld wanneer die daardoor onrechtmatig in zijn eigenaarsbelang is aangetast. Die schade kan meer omvatten dan alleen kosten van onderzoek en sanering. Een particuliere eigenaar (zoal een winkelier) kan ook andere schade lijden (bijvoorbeeld omzetschade omdat tijdens de sanering zijn terrein minder goed toegankelijk is voor klanten). Maar het is niet gezegd dat alle kosten van het betreffende ‘saneringsgeval’ als door de eigenaar geleden schade kunnen worden aangemerkt.

Grondslag voor vordering schadevergoeding wegens verontreiniging

Andere varianten voor schadevergoeding wegens verontreiniging zijn ook mogelijk. De wijze waarop de overheid gebruikt maakt van zijn bevoegdheid tot kostenverhaal bij verontreiniging op basis van art. 75 Wbb is nader uitgewerkt in de Beleidsregel Kostenverhaal. Volgens de Beleidsregel (ad 3.1) kunnen kostenverhaal, het saneringsbevel en de saneringsplicht bij bedrijfsterreinen worden beschouwd als “drie juridische instrumenten waarmee de kosten van bodemonderzoek en sanering kunnen worden neergelegd bij derden (zoals veroorzakers, eigenaren/erfpachters et cetera).” Een particuliere eigenaar wiens grond is verontreinigd door vervuiling veroorzaakt door een ander kan uit hoofde van onrechtmatige daad de veroorzaker van de verontreiniging aansprakelijk stellen voor sanering en kosten.