27 juni 2013

Aansprakelijkheid en behoorlijke administratie

Categorie: Bestuursrecht

Faillissementen zijn nog steeds aan de orde van de dag en daarmee komen ook steeds meer bestuurders in aanraking met een curator. Eén van de taken van de curator is het onderzoeken van een mogelijke bestuurdersaansprakelijkheid. Voor het met succes vorderen van de aansprakelijkheid van de bestuurder, heeft de curator van de wetgever ook een belangrijk wapen gekregen.

Artikel 2:248 BW, ook wel genoemde de Derde Anti-misbruikwet, bepaalt in lid 1 dat in geval van faillissement iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het tekort in het faillissement, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement.

Voor de curator is echter met name lid 2 van belang. Hierin is namelijk bepaald dat, indien de bestuurder niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2:10 BW of artikel 2:394 BW, staat daarmee vast dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur en wordt vermoed dat dit kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement.

Artikel 2:394 BW bevat de verplichting binnen uiterlijk dertien maanden na afloop van een boekjaar de jaarrekening te deponeren bij het handelsregister. Voor meer informatie over de publicatieplicht verwijs ik u naar graag naar mijn artikel van 19 juni 2013.

Voor artikel 2:10 BW geldt dat dit artikel het bestuur verplicht tot het houden van zodanige aantekeningen omtrent de vermogenstoestand van de rechtspersoon, dat daaruit te allen tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen worden gekend. Nader gepreciseerd, gaat het er met name om dat de administratie van de vennootschap zodanig is, dat men snel inzicht kan krijgen in de debiteuren- en de crediteurenpositie op enig moment en dat deze positie en stand van de liquiditeiten, gezien de aard en de omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie.

Indien u als bestuur hieraan niet voldoet, staat onweerlegbaar vast dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Het enige dat u dan als bestuurder resteert, is dat u aannemelijk moet maken dat andere feiten en omstandigheden dan het onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest.

Ik adviseer u dan ook om, ter vermijding van deze problematiek, als bestuurder zorg te dragen dat de vennootschap de boekhouding op orde heeft en deze ook conform de termijn genoemd in artikel 2:10 BW de boekhouding voor een termijn van zeven jaar bewaart.

Mocht u naar aanleiding van het bovenstaande nog vragen hebben of meer willen weten over de aansprakelijkheid van bestuurders in het geval van faillissement van de vennootschap, kunt u te allen tijde contact opnemen met mr. S.A. Lang voor een eerste vrijblijvend gesprek.